ECLI:NL:RBDHA:2025:873
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging dwangsombesluiten en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Eiser diende een aanvraag in voor verlenging van zijn gehandicaptenparkeerkaart, welke aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Na een sociaal medisch advies werd de kaart alsnog toegekend, maar het college trok eerdere besluiten niet tijdig in. Eiser stelde het college in gebreke wegens overschrijding van de beslistermijn, waarna het college dwangsombesluiten nam.
De rechtbank oordeelde dat het college onbevoegd was om op het bezwaar tegen de dwangsombesluiten te beslissen, waardoor deze besluiten vernietigd werden. Tevens werd vastgesteld dat de ingebrekestelling prematuur was, maar vanwege het verbod op verslechtering werd alsnog een dwangsom van €707,- toegekend. Het beroep tegen de besluiten van 15 april 2022 werd afgewezen.
Eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de procedure meer dan twee jaar duurde, waarbij de overschrijding 14 maanden bedroeg voor de aanvraag en 8 maanden voor het dwangsombesluit. Gezien de gezamenlijke behandeling werd een vergoeding van €1.500,- toegekend, welke volledig ten laste van de Staat komt.
De rechtbank veroordeelde het college tot betaling van de dwangsom en het griffierecht aan eiser en de Staat tot vergoeding van immateriële schade. De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Paridon op 21 januari 2025.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de dwangsombesluiten, kent een dwangsom van €707,- toe en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.