ECLI:NL:CRVB:2014:912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening vaststelling dwangsom bij niet tijdig beslissen op bezwaar in bijstandszaak
Appellant ontving bijstand van april 2006 tot november 2010. Het college trok de bijstand met ingang van januari 2008 in en vorderde terugbetaling van kosten over die periode. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop het college niet tijdig besliste, waarna appellant een ingebrekestelling stuurde. Het college stelde vervolgens een dwangsom vast wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in tegen de vaststelling van de dwangsom. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college het bezwaar terecht heeft doorgezonden aan de rechtbank en dat het beroep mede ziet op de dwangsom. De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte de hoogte van de dwangsom niet correct heeft vastgesteld.
Volgens de Awb is de dwangsom verschuldigd vanaf de dag na de ingebrekestelling tot en met de dag waarop het besluit is verzonden. De rechtbank rekende 33 dagen, terwijl het in dit geval 35 dagen betreft. De Raad herroept het besluit en stelt de dwangsom vast op €980,-. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en bepaalt vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt de dwangsom vast op €980,- en veroordeelt het college in de proceskosten.