ECLI:NL:RBDHA:2025:8752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
NL25.11445
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 42 lid 1 Vw 2000Art. 42 lid 4 Vw 2000Art. 6:2 AwbArt. 6:12 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag, rechtbank stelt termijn en dwangsom vast

Eiseres diende op 5 oktober 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na 15 maanden zonder besluit stuurde zij op 24 februari 2025 een ingebrekestelling aan de minister van Asiel en Migratie. Vervolgens stelde zij op 11 maart 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank overweegt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit en dat de minister sinds september 2022 herhaaldelijk de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd. Niettemin is er ook binnen deze verlengde termijn niet beslist, waardoor het beroep gegrond is.

De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister het besluit moet nemen en bekendmaken, omdat eiseres nog niet is gehoord. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag vastgesteld, met een maximum van €15.000, voor het geval de minister niet tijdig beslist.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 voor de behandeling van het beroep. De rechtbank wijst erop dat terugwerkende kracht van de dwangsom niet mogelijk is en dat de termijn redelijk is gelet op de wettelijke bepalingen en de omstandigheden van de zaak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.11445

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (V-nummer: [v-nummer]), eiseres,

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 5 oktober 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), ingediend.
Op 24 februari 2025 is (langs elektronische weg) een ingebrekestelling naar verweerder gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eiseres heeft vervolgens op 11 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Sittard, die op 18 maart 2025 de beroepsgronden heeft ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.
In artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden kan worden verlengd, indien:
a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;
b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.
3. Verweerder heeft sinds 27 september 2022 herhaaldelijk gebruik gemaakt van de in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dit is gebeurd met opeenvolgende besluiten tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 [1] (hierna: de wijzigingsbesluiten).
4. Daargelaten de vraag of en in hoeverre de wijzigingsbesluiten in strijd zijn met artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn [2] , moet worden vastgesteld dat verweerder ook niet binnen de verlengde termijn heeft beslist. Omdat hij dit heeft nagelaten en hij een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen, was bij het instellen van het beroep voldaan aan de eisen genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep kennelijk gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag te worden vernietigd.
5. De rechtbank zal voorts een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Zij hanteert daarbij in asielzaken in beginsel de volgende termijnen. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord ten aanzien van de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van acht weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen zestien weken dient te beslissen. Indien de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van acht weken om alsnog te beslissen. Indien de bovengrens van 21 maanden, genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, (bijna) is overschreden stelt de rechtbank de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid noch onnodig lang noch onrealistisch kort is [3] .
6. Uit de stukken blijkt dat eiseres nog niet is gehoord. In beginsel legt de rechtbank dan een termijn op van uiterlijk zestien weken om een beslissing te nemen. Omdat binnen die termijn, gerekend vanaf de datum van de uitspraak, de bovengrens van 21 maanden is gelegen, maar die bovengrens vanaf de datum van de uitspraak nog niet (bijna) is overschreden, zal de rechtbank verweerder opdragen om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en bekend te maken. In wat in de beroepsgronden is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere (kortere) termijn vast te stellen.
7. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. Zij zal de hoogte van deze dwangsom vaststellen op € 100,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Niet is gebleken dat het belang van eiseres zo groot is, dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd is; de enkele omstandigheid dat verweerder nog steeds niet op de aanvraag heeft beslist kan niet als zodanig belang worden aangemerkt. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door eiseres is verzocht, terugwerkende kracht aan de dwangsom te verbinden. Uit de tekst van de wet volgt dat de rechterlijke dwangsom wordt verbonden aan een uitspraak; het is dus niet mogelijk – en overigens ook ongewenst – de dwangsom te verbinden aan de ontvangstdatum van de ingebrekestelling.
8. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 453,50 waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseres één punt met een waarde van € 907,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 453,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 19 mei 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Meer specifiek het Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2022, 25775; het Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235; en het Besluit van 27 december 2023, nummer WBV 2023/26, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2024, 473.
2.Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.
3.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, en 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.