ECLI:NL:RBDHA:2025:8839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
NL25.12544
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 64 VwArt. 14 VwArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe relevante feiten

Eiser diende op 15 november 2022 een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister op 10 maart 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser stelde dat zijn medische situatie en recente gebeurtenissen in Nigeria nieuwe gronden vormden, maar de rechtbank oordeelde dat deze niet relevant waren voor de asielmotieven en dat er geen nieuwe feiten waren die een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigden.

In eerdere procedures was reeds vastgesteld dat de situatie in Nigeria niet was veranderd en dat de eerdere afwijzing van de asielaanvraag in rechte vaststond. De rechtbank overwoog dat de medische problemen van eiser geen verband hielden met zijn asielmotieven en dat de door eiser genoemde vernieling van het huis van zijn echtgenote en diefstal van zijn telefoon onvoldoende waren onderbouwd en niet relevant waren.

De rechtbank verwees naar het arrest Bahaddar en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij de drempel voor het buiten toepassing laten van nationale procedureregels hoog ligt. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van omstandigheden die het refoulementverbod van artikel 3 EVRM Pro zouden schenden.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier F. Aissa op 20 mei 2025 te Groningen.

Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12544

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. Eiser heeft op 15 november 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 maart 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard [1] .
1.1.
De rechtbank heeft het beroep tezamen met zaaknummer NL25.12545, op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister om de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser heeft op 9 december 2019 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 12 maart 2020 heeft de minister die aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht heeft bij uitspraak van 26 mei 2020 het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard. [2] Bij bericht van 12 augustus 2020 is eiser opgenomen in de nationale procedure.
3.1.
Eiser heeft vervolgens op 20 augustus 2020 een tweede asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft eiser, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat op een dag een man, [naam] , die elk jaar veel goederen cadeau gaf aan het dorp Ewohimi, waar eiser woonde, is overleden. De dorpsgenoten van eiser hebben toen een voodoo-priester ingeschakeld om te achterhalen hoe hij is overleden. De oom van eiser werd verantwoordelijk gehouden en werd aangevallen door een grote groep jeugd uit het dorp. Toen eiser ertussen sprong, is hij ook verantwoordelijk gehouden voor de dood van deze man en is eiser ook mishandeld totdat hij bewegingloos op de grond lag. Eiser heeft weten te vluchten, heeft een taxibus naar Benin City genomen en heeft daar twee dagen verbleven. Hij heeft Nigeria verlaten omdat hij zijn leven daar niet meer veilig was.
3.2.
Bij besluit van 29 november 2021 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [3] Ook heeft de minister eiser geweigerd om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. De minister heeft eiser wel uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw Pro, in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling van artikel 64 Vw Pro. Het door eiser ingesteld beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 24 februari 2022 door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. [4] De Afdeling [5] heeft op 28 april 2022 de uitspraak van 24 februari 2022 bevestigd. [6] Daarmee staat de afwijzing van eisers asielaanvraag met het besluit van 29 november 2021 in rechte vast.
Asielrelaas
4. Op 15 november 2022 heeft eiser zijn derde en huidige asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij metalen onderdelen in zijn lichaam heeft en geen zware dingen kan tillen. [7] Eiser heeft een afspraakbevestiging van het UMC Groningen van 9 februari 2023 overgelegd en een afdruk dossieronderdeel van het UMC Groningen, afdeling orthopedie. In het M35-0 formulier is vermeld dat het veel tijd kost om te herstellen na de ondergane operatie tegen scoliose en dat de operatie ook voor mentale problemen heeft gezorgd. Eiser heeft opnieuw asiel aangevraagd omdat hij onderdak wilde krijgen bij het azc en vanwege zijn medische toestand. [8] Verder heeft eiser verklaard over zijn eerder gestelde problemen in Nigeria en dat er niets is veranderd aan de situatie. [9] Eiser heeft ook verklaard dat het huis van zijn vrouw is vernietigd in november 2024 en dat zijn telefoon is gestolen op 23 december 2024. [10]
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. De medische documenten en informatie zijn niet relevant voor de inhoudelijke beoordeling van de opvolgende asielaanvraag, nu de medische situatie geen verband houdt met eisers asielmotieven. Bij een opvolgende asielaanvraag vindt verder geen ambtshalve toets op grond van artikel 64 van Pro de Vw plaats.
Wat vindt eiser?
6. Eiser verwijst allereerst naar hetgeen eerder naar voren is gebracht.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele verwijzing naar de zienswijze en/of hetgeen eerder naar voren is gebracht niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze en/of hetgeen eerder naar voren is gebracht. Met de verwijzing geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van de minister volgens hem niet toereikend is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in de zienswijze en/of eerder naar voren is gebracht.
6.2.
Eiser stelt verder dat hij niet terug wil naar Nigeria omdat hem daar een onmenselijke behandeling staat te wachten. Hij heeft een ernstig medisch probleem waardoor hij niet kan werken om zo een inkomen te genereren. Eiser heeft nog elke dag pijn en krijgt daarvoor medicatie. In het BMA-onderzoek is enkel bekeken of hij kan reizen en niet hoe hij verder in het dagelijks leven kan functioneren. Eiser stelt ook dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria en dat hij daar zal worden blootgesteld aan schendingen van artikel 3 van Pro het EVRM. [11] De minister heeft ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar de situatie waarin eiser in Nigeria terecht zal komen, nu hij in Nigeria geen opvang zal krijgen en terecht komen in een situatie van extreme armoede. Daarbij is een beroep gedaan op het arrest Jawo [12] en het arrest Ibrahim. [13] Deze uitspraken zien niet alleen op Dublinclaimanten maar op iedere asielzoeker.
Heeft de minister op goede gronden de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard?
7. De beroepsgronden kunnen niet slagen. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet tot een inhoudelijke beoordeling heeft hoeven komen in deze procedure en dat de opvolgende asielaanvraag op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard.
7.1.
De rechtbank acht hiervoor van belang dat de minister terecht vaststelt dat de opvolgende asielaanvraag ziet op eisers medische toestand. Dat is niet relevant voor de inhoudelijke beoordeling van de opvolgende asielaanvraag. Over de problemen in Nigeria die eiser in zijn vorige asielprocedure heeft gesteld, heeft eiser, desgevraagd, verklaard dat er niets is veranderd aan de situatie. [14] De minister heeft in eisers verklaring dat het huis van zijn echtgenote is vernietigd geen aanwijzing hoeven zien dat deze gebeurtenis samenhangt met zijn asielmotieven van de vorige (in rechte vaststaande) asielprocedure. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat het huis is vernietigd. De minister heeft eiser dit mogen tegenwerpen nu hij zelf heeft verklaard dat hij foto’s in zijn bezit heeft gehad. [15] Dat eisers telefoon zou zijn gestolen, heeft de minister niet als een verschoonbare reden hoeven aan te merken.
7.2.
Uit het arrest Bahaddar [16] en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 juni 2022 [17] waarin dit arrest is uitgewerkt, volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel, die tot een niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag leidt, buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest, om schending van artikel 3 van Pro het EVRM te voorkomen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat ook regels die gaan over de omvang van het geschil, zoals artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, gezien kunnen worden als een nationale procedureregel in de zin van het arrest Bahaddar. Bahaddar-omstandigheden doen zich voor als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM, zou schenden. De drempel voor een geslaagd beroep op artikel 3 van Pro het EVRM is daarom hoog. Eiser heeft zelf verklaard dat er niets is veranderd aan de reeds beoordeelde problemen in Nigeria, Hiervoor, onder 7.1, is reeds overwogen dat eisers verklaring over de door hem gestelde vernietiging/brandstichting van het huis van zijn echtgenote hierin geen verandering brengt nu van enig verband met zijn asielmotieven niet is gebleken. De door eiser gestelde vernieling/brandstichting kan daarom niet afdoen aan het eerdere afwijzende asielbesluit. Dat eerdere afwijzende asielbesluit van 29 november 2021 waarin de door eiser gestelde problemen (verdenking van betrokkenheid bij de dood van Ebelomo met mishandeling van eiser door de jeugd uit zijn dorp tot gevolg) door de minister niet geloofwaardig zijn geacht, is in rechte vast komen te staan en in deze procedure heeft eiser, zoals reeds hiervoor is overwogen, geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd. De minister heeft dan ook, anders dan eiser stelt, geen nader onderzoek hoeven doen voor zijn terugkeer naar Nigeria. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat er sprake is van Bahaddar-omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Deze uitspraak is bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.NL20.6490.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, Vw.
4.NL21.18819.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zaaknummer 202201306/1/V2.
7.Bld. 5 gehoor opvolgende aanvraag.
8.Bld. 5, 6 en 9 gehoor opvolgende aanvraag.
9.Bld. 6 gehoor opvolgende aanvraag.
10.Bld. 9 gehoor opvolgende aanvraag.
11.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
12.Het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 in de zaak van Jawo tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:218
13.Arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:2019:219.
14.Bld. 6 gehoor opvolgende aanvraag.
15.Bld. 9 gehoor opvolgende aanvraag.
16.Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998: 0219JUD002589494.
17.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.