ECLI:NL:RBDHA:2025:8839
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe relevante feiten
Eiser diende op 15 november 2022 een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister op 10 maart 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser stelde dat zijn medische situatie en recente gebeurtenissen in Nigeria nieuwe gronden vormden, maar de rechtbank oordeelde dat deze niet relevant waren voor de asielmotieven en dat er geen nieuwe feiten waren die een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigden.
In eerdere procedures was reeds vastgesteld dat de situatie in Nigeria niet was veranderd en dat de eerdere afwijzing van de asielaanvraag in rechte vaststond. De rechtbank overwoog dat de medische problemen van eiser geen verband hielden met zijn asielmotieven en dat de door eiser genoemde vernieling van het huis van zijn echtgenote en diefstal van zijn telefoon onvoldoende waren onderbouwd en niet relevant waren.
De rechtbank verwees naar het arrest Bahaddar en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij de drempel voor het buiten toepassing laten van nationale procedureregels hoog ligt. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van omstandigheden die het refoulementverbod van artikel 3 EVRM Pro zouden schenden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier F. Aissa op 20 mei 2025 te Groningen.
Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond verklaard.