ECLI:NL:RBDHA:2025:884
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling uit Algerije
De vreemdeling, geboren in 1999 en van Algerijnse nationaliteit, is op 8 oktober 2024 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 21 november 2024 bevestigd, zodat nu alleen het voortduren daarna werd beoordeeld.
De eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn omdat de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer hadden afgegeven en de overheid onvoldoende voortvarend zou handelen. De rechtbank oordeelde dat er algemeen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat de eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval ontbreekt. De Algerijnse autoriteiten hebben de identiteit bevestigd en de overheid heeft meerdere rappellen gestuurd en vertrekgesprekken gevoerd.
De rechtbank stelde vast dat de eiser zelf niet meewerkt aan zijn uitzetting en dat de overheid niet meer hoeft te doen dan rappelleren en vertrekgesprekken voeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.