Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 23 april 2025 geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met tijdelijk verblijf in Oekraïne vóór het uitbreken van de oorlog eerder mocht eindigen dan die van andere groepen. Deze bescherming eindigde op 4 maart 2024, waarna derdelanders geen recht meer hadden op verblijf op grond van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
De Afdeling stelde ook dat de minister vóór die datum geen terugkeerbesluiten mocht opleggen. In de zaak van eiser is het terugkeerbesluit echter vóór 4 maart 2024 opgelegd, waardoor dit besluit in strijd is met de jurisprudentie. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het terugkeerbesluit.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €907,00. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.