Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Het besluit was opgelegd vóór 4 maart 2024, terwijl de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder had geoordeeld dat terugkeerbesluiten aan derdelanders met tijdelijk verblijf in Oekraïne vóór die datum niet mochten worden opgelegd.
De Afdeling stelde vast dat de tijdelijke bescherming van deze groep derdelanders op 4 maart 2024 eindigde en dat terugkeerbesluiten vóór die datum niet rechtsgeldig waren. De rechtbank volgt deze lijn en verklaart het beroep gegrond omdat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 onrechtmatig is opgelegd.
De rechtbank vernietigt het besluit en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 907,00. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 21 mei 2025.