ECLI:NL:RBDHA:2025:8946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
NL23.27010
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit tijdelijke bescherming derdelanders uit Oekraïne

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Eiser, een derdelander die tijdelijk verblijf had in Oekraïne vóór het uitbreken van de oorlog, kreeg op 29 augustus 2023 een terugkeerbesluit opgelegd. Na het indienen van beroep en het intrekken van dit besluit, volgde op 7 februari 2024 een nieuw terugkeerbesluit.

De rechtbank baseert haar oordeel op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met tijdelijk verblijf in Oekraïne eindigde op 4 maart 2024. Tot die datum mocht de minister geen terugkeerbesluiten opleggen. Omdat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vóór deze datum viel, oordeelt de rechtbank dat het beroep gegrond is.

De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €907,00. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27010

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. In de uitspraken van 23 april 2025 [2] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de minister in 2023 de tijdelijke bescherming van zogenoemde derdelanders in Nederland die daarvóór een tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne, eerder mocht beëindigen dan de tijdelijke bescherming van Oekraïners, staatlozen en derdelanders met een permanent verblijf. De bescherming van derdelanders in Nederland die vóór het uitbreken van de oorlog tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne, is geëindigd op
4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [3]
2.1.
In de aangehaalde uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het opleggen van een terugkeerbesluit.
3. In de situatie van eiser heeft de minister eerst op 29 augustus 2023 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft op 1 september 2023 een beroepschrift ingediend. De minister heeft op 1 februari 2024 het bestreden besluit van 29 augustus 2023 ingetrokken. Vervolgens heeft zij op 7 februari 2024 een nieuw terugkeerbesluit genomen. Het beroepschrift van eiser, aangevuld op 4 maart 2024, moet om die reden geacht worden gericht te zijn tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. [4]
3.1.
Gelet op het oordeel van de Afdeling in de hiervoor aangehaalde uitspraken is het beroep reeds om die reden gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het terugkeerbesluit wordt vernietigd.
5. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907,00. [5] Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 7 februari 2024;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
4.Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1.