ECLI:NL:RBDHA:2025:8948

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.15498 en NL25.15499
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

De rechtbank Den Haag behandelde op 20 mei 2025 het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 26 maart 2025, waarbij de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.

Tijdens de zitting was de gemachtigde van de minister aanwezig, maar eiser en zijn gemachtigde verschenen niet. De minister informeerde de rechtbank dat eiser op 14 april 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en zich niet had gemeld bij relevante instanties. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met zijn cliënt en verzocht om de zaak op de stukken af te doen.

De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het vertrek van een vreemdeling met onbekende bestemming zonder contact te onderhouden met de minister impliceert dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Nu eiser geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde en zijn verblijfplaats onbekend is, oordeelde de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen dit vonnis kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.15498 en NL25.15499
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 mei 2025 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [nummer], eiser/verzoeker,
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: M.R Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 26 maart 2025, waarbij eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, onder verwijzing naar artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
2. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving van afwezigheid niet verschenen.
3. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

4. De minister heeft de rechtbank op 16 april 2025 bericht dat eiser op 14 april 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). In genoemde brief staat ook dat de minister is gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, COA, AVIM of DT&V. Na navraag heeft de minister met de brief van 15 mei 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser zich nog niet weer had gemeld op een van de genoemde locaties en dat in de brief van 16 april 2025 mogelijk een woord was weggevallen.
4.1.
De vraag doet zich dan vervolgens voor of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
4.2.
De gemachtigde van eiser heeft op 15 mei 2025 desgevraagd aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact (meer) heeft met zijn cliënt. Hij verzoekt om de zaak op de stukken af te doen.
4.3.
Uit vaste rechtspraak [1] van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat, wanneer een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming vertrekt, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er dan in principe vanuit kan worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4.4.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten. De minister en zijn gemachtigde zijn niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfplaats. Eiser heeft ook geen contact meer met zijn gemachtigde.
4.5.
Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken.
4.6.
Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
5. Nu op het beroep wordt beslist bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
6. Er wordt geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. L.J. van der Veen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, op 20 mei 2025.
Het proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.