ECLI:NL:RBDHA:2025:8959

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.7705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken

Eiseres stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn van haar asielprocedure te verlengen tot achttien maanden op grond van onderduiken. De rechtbank heeft het beroep samen met een andere zaak behandeld en het onderzoek geschorst om nadere informatie te verkrijgen over de uitreiking van de kennisgeving van overdracht.

De rechtbank oordeelde dat eiseres doelbewust buiten bereik van de autoriteiten is gebleven door niet mee te werken aan de overdracht, ondanks duidelijke instructies en meerdere pogingen van het COA om haar te informeren over de vluchtgegevens. Eiseres is op de dag voor de geplande overdracht zonder geldige reden vertrokken uit het asielzoekerscentrum en heeft zich pas na de overdracht weer gemeld.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiseres ondergedoken was en dat de verlenging van de overdrachtstermijn conform artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is toegestaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7705
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd tot 18 maanden.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.7706, op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Gure. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen over de feitelijke uitreiking van de brief van 7 februari 2025. Eiseres heeft de mogelijkheid gekregen om te reageren en daarvan ook gebruik gemaakt.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 28 november 2024. Het besluit staat daarmee in rechte vast.
In het bestreden besluit van 11 februari 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening1 vanwege onderduiken.
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 11 februari 2025. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres stelt in beroep dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat zij is ondergedoken.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een verzoeker onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te frustreren.2
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres tijdens het vertrekgesprek van 16 december 2024 is gewezen op haar verplichting om mee te werken aan de overdracht en wat de consequenties kunnen zijn als zij niet meewerkt. Tijdens dit gesprek is onder andere aangegeven dat zij haar post moet controleren om tijdig de brief met de vluchtinformatie te ontvangen, dat zij één dag voor de overdracht van het COA te horen krijgt hoe laat zij wordt opgehaald om naar de luchthaven te worden gebracht en dat zij een dag voor de overdacht vanaf 18:00 uur op haar kamer moet zijn. Verder is aangegeven dat als eiseres niet meewerkt zij het risico loopt dat de uiterste overdrachtstermijn wordt opgeschort. Eiseres heeft aangegeven dat dit duidelijk is.
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij brief van 7 februari 2025 is geïnformeerd over de geplande overdracht op 12 februari 2025. De minister heeft daarover toegelicht dat deze brief per post is verzonden naar het AZC en dat het AZC vervolgens registreert dat er post is voor eiseres. Eiseres kan op de postlijst bij de receptie zien dat er post voor haar is binnengekomen en deze bij de receptie ophalen. Eiseres heeft de brief van 7 februari 2025 niet opgehaald bij de receptie. Vervolgens heeft een medewerker van het COA op 10 februari 2025 een afschrift van de vluchtgegevens op het bed van eiseres in haar kamer achtergelaten en zijn de kamergenoten van eiseres geïnformeerd over de vluchtgegevens. De minister heeft hiermee aangetoond dat hij alles in het werk heeft gesteld om eiseres op de hoogte te brengen van haar vlucht. Eiseres had dus redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de datum van haar overdracht.
1. Verordening (EU) nr. 604/2013.
2 Volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 62 e.v. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
9. Eiseres is de dag voor de overdracht, namelijk op 11 februari 2025, met onbekende bestemming vertrokken. Dit volgt uit een afschrift van de MOB-melding van DT&V en het verslag van het vertrekgesprek van 11 februari 2025, waarin staat dat zij niet is verschenen op het vertrekgesprek en dat zij zich ook niet heeft afgemeld voor het gesprek. Ter zitting heeft de minister nog aangegeven dat eiseres zich pas op 20 februari 2025 weer heeft gemeld. Dat door eiseres aangevoerde omstandigheden dat zij eerder ten onrechte MOB is gemeld, dat zij op 10 februari 2025 een afspraak had voor bloedprikken en dat het COA op de hoogte was dat zij af en toe op een andere locatie verblijft, maakt dit niet anders. Deze omstandigheden staan niet in verband met de MOB-melding op 11 februari 2025. Eiseres is tijdens het vertrekgesprek van 16 december 2025 erop gewezen dat zij één dag voor de overdracht vanaf 18:00 uur op haar kamer moest zijn en dat heeft zij niet gedaan. De op 6 maart 2025 gegeven reactie van eiseres geeft de rechtbank geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen. Zij is zonder reden op 11 februari 2025 vertrokken uit het AZC terwijl haar duidelijk was dat zij juist die dag op haar kamer aanwezig moest zijn voor het in ontvangst nemen van de vluchtgegevens. Omdat zij op 10 februari 2025 vanuit het ziekenhuis nog is teruggekeerd naar het AZC is het wel mogelijk dat zij kennis had van de geplande vlucht. Zij heeft verder ook niet onderbouwd dat zij op 11 februari 2025 vanwege medische redenen niet aanwezig kon zijn op het AZC. De minister heeft met de gehanteerde werkwijze niet onzorgvuldig gehandeld en ook geen eisen gesteld waaraan eiseres redelijkerwijs geen gevolg had kunnen geven.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gelet op het voorgaande, zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres was ondergedoken en is de overdrachtstermijn terecht verlengd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 maart 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.