ECLI:NL:RBDHA:2025:8966

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.7889
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken bevestigd

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn van zijn asielprocedure te verlengen tot 18 maanden op grond van onderduiken, zoals bepaald in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens een vertrekgesprek op 30 januari 2025 was gewezen op zijn verplichtingen rondom de overdracht, waaronder het aanwezig zijn op zijn kamer op het COA-centum en het gereedstaan voor vervoer. Ondanks meerdere pogingen tot contact, waaronder e-mails, telefoontjes en bezoek van het COA, was eiser op het moment van overdracht niet aanwezig en heeft hij zich niet gemeld.

De rechtbank oordeelt dat dit gedrag kwalificeert als onderduiken, omdat eiser doelbewust buiten bereik van de autoriteiten bleef om de overdracht te frustreren. De verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden is daarom terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7889
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K. Kanters).

Inleiding

1. Bij besluit van 12 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn van eiser verlengd tot 18 maanden.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 6 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het besluit van 5 december 2025 staat daarmee in rechte vast.
3. In het bestreden besluit van 12 februari 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd overeenkomst artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening1 vanwege onderduiken.
4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 12 februari 2025. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1. Verordening (EU) nr. 604/2013.
6. Eiser stelt in beroep dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat hij is ondergedoken.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een verzoeker onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te frustreren.2
8. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 30 januari 2025 is gewezen op zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en wat de consequenties kunnen zijn als hij niet meewerkt. Tijdens dit gesprek is onder andere aangegeven dat eiser op de dag voor de overdracht en op de dag van de overdracht op zijn kamer op het centrum moet blijven zodat de ophaaltijd aan hem kan worden medegedeeld en dat hij de nacht voorafgaand aan de overdracht op zijn kamer moet overnachten, omdat hij de volgende ochtend met zijn bagage gereed moet staan voor vervoer door DV&O naar Schiphol. Verder is aangegeven dat als eiser niet meewerkt hij het risico loopt dat de uiterste overdrachtstermijn wordt opgeschort. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij het begrijpt.
9. De rechtbank stelt verder vast dat eiser bij e-mail van 10 februari 2025 is geïnformeerd over de geplande overdracht op 12 februari 2025. Tevens heeft de DT&V op 10 februari 2025 en op 11 februari 2025 geprobeerd om eiser telefonisch te bereiken. Op 11 februari 2025 is het COA op eisers kamer geweest om de ophaaltijd door te geven. Eiser was zowel om 15:15 uur als om 21:15 uur niet aanwezig. Er is een brief met de ophaaltijd achtergelaten bij de receptie. De minister heeft hiermee aangetoond dat zij alles in het werk heeft gesteld om eiser op de hoogte te brengen van zijn vlucht en daarmee verband houdende ophaaltijd. Eiser had dus redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de ophaaltijd en is niet verschenen. Dit blijkt ook uit het formulier tijdelijk buiten bereik autoriteiten (TBBA-formulier) waarin staat dat eiser op het ophaaltijdstip, 6:28 uur ’s ochtends, niet aanwezig was op zijn kamer of waarneembaar door de autoriteiten elders op het COA-terrein. Eiser heeft zich op de dag van de vlucht niet gemeld.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gelet op het voorgaande, zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser was ondergedoken en is de overdrachtstermijn terecht verlengd.
2 Volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 62 e.v. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 maart 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.