ECLI:NL:RBDHA:2025:8972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.20513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:41 Algemene wet bestuursrechtArt. 3.104 VreemdelingenbesluitArt. 4.37 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding na intrekking verblijfsrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat hij niet tijdig bekend was met het terugkeerbesluit en daardoor onvoldoende vertrektermijn had.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 26 maart 2024 rechtsgeldig was uitgereikt aan het laatst bekende adres van eiser, conform vaste jurisprudentie en wettelijke bepalingen. Eiser had de verplichting zijn adreswijzigingen door te geven en zorg te dragen dat post werd ontvangen. De vertrektermijn was verstreken voordat de bewaring werd opgelegd, waardoor de maatregel niet onrechtmatig was.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit van de rechtmatigheid van de bewaring en vond geen gronden om de maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen omdat de maatregel rechtmatig was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20513

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Izat).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 9 mei 2025 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is eiser in bewaring gesteld terwijl zijn vertrektermijn nog liep?
2. Eiser voert aan dat de meeromvattende beschikking van 26 maart 2024, waarin zijn verblijfsvergunning is ingetrokken en eiser een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen, niet op de juiste wijze is uitgereikt. Als gevolg hiervan is eiser pas op 30 april 2025 bekend geworden met zijn vertrekplicht waardoor hij nog vier weken de tijd had om terug te keren naar Turkije. Dat eiser niet eerder bekend was met het terugkeerbesluit, volgt ook uit een verhoor en het artikel 59-gehoor, die hebben plaatsgevonden op 30 april 2025. De bewaringsmaatregel is dan ook onrechtmatig opgelegd binnen de vertrektermijn.
3. De rechtbank stelt vast dat eisers verblijfsrecht bij beschikking van 26 maart 2024 is ingetrokken omdat hij in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven als ‘Registratie Niet Ingezetene’ en dus niet langer staat ingeschreven op een adres in Nederland. Uit artikel 3.104, vijfde lid, van het Vb, volgt dat een beschikking in zo’n geval naar het laatst bekende adres van de vreemdeling wordt gestuurd. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2423), dat dit kan worden gezien als een geschikte wijze van bekendmaking als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat eiser heeft verklaard dat hij verhuisd is en bij vrienden verbleef, betekent naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat verweerder het besluit niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is op grond van artikel 4.37, eerste lid, onder c, van het Vb aan eiser om zijn adreswijzigingen aan verweerder door te geven, en zo nodig te regelen dat iemand kennis neemt van zijn post die naar zijn oude adres wordt verstuurd. De rechtbank merkt verder nog op dat het besluit van 26 maart 2024 naar [adres] is verstuurd. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel verklaard op dit adres een eigen bedrijf te hebben. De rechtbank volgt eiser gelet op het voorgaande dan ook niet in zijn standpunt dat de beschikking van 26 maart 2024 niet op de juiste wijze is uitgereikt, of dat eiser niet wist dat hij een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen. Dit betekent dat eisers vertrektermijn reeds was verstreken en dat de maatregel niet onrechtmatig binnen de vertrektermijn is opgelegd. Dat eiser al eerder bekend was met het terugkeerbesluit en de vertrektermijn, volgt bovendien ook uit het gehoor voorafgaand aan het inreisverbod van 14.09 uur op 30 april 2025 (p. 2). De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, waaronder de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.