Uitspraak
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Den Haag
Op 23 november 2024 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit met inreisverbod. De rechtbank constateert dat het beroepschrift geen gronden van beroep bevat, geen afschrift van het bestreden besluit is overgelegd en geen schriftelijke volmacht is ingediend.
De rechtbank heeft de indiener bij aangetekende brief van 21 februari 2025 verzocht deze verzuimen binnen vier weken te herstellen, met de waarschuwing dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Deze brief is op 25 februari 2025 ontvangen, maar binnen de gestelde termijn zijn de verzuimen niet hersteld.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt bevestigd dat overschrijding van de hersteltermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De rechtbank oordeelt dat dergelijke omstandigheden ontbreken en dat ook geen sprake is van een situatie die schending van artikel 3 EVRM Pro zou kunnen rechtvaardigen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit met inreisverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden, het niet overleggen van het besluit en het ontbreken van een schriftelijke volmacht.