ECLI:NL:RBDHA:2025:9023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.20285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte de zware en lichte gronden niet, maar stelde dat een lichter middel toegepast moest worden en dat de mentale situatie zwaar was. De rechtbank oordeelde dat een lichter middel niet toereikend is, mede omdat een eerdere meldplicht niet tot zelfstandig vertrek leidde. De minister handelde voortvarend en de uitgestelde overdracht door Kroatië lag buiten haar invloedssfeer.

Ook werd vastgesteld dat eiser de tolk tijdens vertrekgesprekken goed begreep, ondanks een eerdere miscommunicatie over de taal van de tolk. De rechtbank zag voldoende zicht op overdracht en oordeelde dat geen sprake was van overschrijding van termijnen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20285

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Na het openen van het onderzoek ter zitting van 9 mei 2025 bleek de door de rechtbank opgeroepen tolk niet te zijn verschenen. Met behulp van een Arabische tolk is er een aanvang gemaakt met het horen en het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst.
1.3.
Na het hervatten van het onderzoek ter zitting op 16 mei 2025 stelde de rechtbank vast dat niet een tolk in de Koerdische / Kurmanji taal was opgeroepen, maar een tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft zich daarop genoodzaakt gezien het onderzoek ter zitting wederom te schorsen.
1.4.
Op 21 mei 2025 is het onderzoek ter zitting hervat en de rechtbank heeft het beroep met behulp van telehoren behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank is een tolk Koerdisch / Kurmanji verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd, Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
3.1.
Eiser heeft op 8 mei 2025 in drie delen aanvullende gronden ingediend. De gronden in de eerste twee delen zien alleen op de al afgeronde Dublinprocedure en liggen hier niet ter toetsing voor. De aanvullende gronden in het derde deel zien grotendeels wel op onderhavige bewaring en met name op de verlenging van het overdrachtsbesluit en het lichter middel. Deze gronden worden in deze uitspraak behandeld.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening.
4.1.
Kroatië heeft het door Nederland ingediende claimverzoek op 27 juni 2023 aanvaard, waarna op 21 augustus 2023 een overdrachtsbesluit aan eiser is opgelegd. Eiser heeft tegen het overdrachtsbesluit beroep ingediend en een voorlopige voorziening aangevraagd. De voorlopige voorziening is op 1 september 2023 toegekend. Het beroep tegen het overdrachtsbesluit is vervolgens op 4 april 2025 ongegrond verklaard [3] . Door de toegekende voorlopige voorziening is de uiterste overdrachtstermijn op 4 april 2025 opnieuw gaan lopen en op dit moment dus nog niet verstreken. Anders dan eiser stelt maakt het overdrachtsbesluit van 21 augustus 2023 deel uit van het digitale dossier en een verlenging daarvan, of van het claimakkoord, is gezien het voorgaande niet nodig.
Gronden
5. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat een lichter middel moet worden toegepast. Aanleiding daarvoor is dat eiser is door de minister zelf in een opvanglocatie geplaatst en het door Kroatië
uitstellen van de overdracht van eiser van 16 mei naar 2 juni 2025 vanwege personeelstekort. Daarnaast geeft eiser aan het mentaal erg zwaar te hebben in bewaring.
6.1.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de overdracht van eiser te verzekeren. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat aan eiser eerder een lichter middel, te weten een meldplicht, is opgelegd wat niet heeft geleid tot zelfstandig vertrek naar Kroatië. Het uitstellen van de overdracht naar 2 juni 2025 geeft, gezien het voorgaande, ook geen aanleiding voor het oordeel dat een lichter middel volstaat. Ten aanzien van de mentale klachten van eiser, heeft de minister zowel in de maatregel als op de zitting terecht aangegeven dat eiser hulp kan vragen bij de medische dienst van het detentiecentrum.
Voortvarendheid
7. De minister heeft op 30 april 2025 de overdracht aan Kroatië aangekondigd en op 1 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. Dat de overdracht op 6 mei 2025 door Kroatië is uitgesteld ligt buiten de invloedssfeer van de minister en leidt niet tot een ander oordeel.
7.1.
Eiser voert aan dat uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 1 en 13 mei 2025 niet blijkt of daar een tolk bij aanwezig was en zo ja, in welke taal. Indien dit niet Koerdisch / Kurmanji is geweest, stelt eiser dat niet kan worden aangenomen dat hij heeft begrepen wat er van hem wordt verwacht.
7.2.
Eiser heeft op de zitting aangegeven dat bij de vertrekgesprekken een tolk Arabisch aanwezig was. De rechtbank overweegt dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft verklaard ook Arabisch te spreken en de daarbij betrokken tolk Arabisch goed te kunnen verstaan. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken blijkt daarnaast dat er inhoudelijke zaken zijn besproken en er zijn geen aanwijzingen dat eiser de tolk niet goed heeft begrepen of verstaan.
Zicht op overdracht
8. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op overdracht ontbreekt. Eiser valt onder de Dublingrondslag, de minister werkt voortvarend aan de overdracht en de overdrachtsdatum is bekend. Ook nu de overdracht is uitgesteld naar 2 juni 2025, is van de overschrijding van enige termijn geen sprake.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:RBOBR:2025:1998.