Eiser, een Vietnamese nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 4 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 14 april 2025.
Eiser voerde aan dat de minister de informatieplicht had geschonden door geen informatiefolder in het Vietnamees te verstrekken, zoals vereist in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank erkende deze schending, maar oordeelde dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitviel, mede omdat eiser voorafgaand aan de bewaring in het bijzijn van een tolk is geïnformeerd over de gronden en rechten.
Daarnaast stelde eiser dat de duur van het proces vanaf de strafrechtelijke aanhouding te lang was en dat hij onrechtmatig was overgeplaatst naar het detentiecentrum. De rechtbank volgde dit niet en oordeelde dat de overplaatsing binnen de wettelijke termijn had plaatsgevonden.
Ten slotte betoogde eiser dat er geen nieuwe feiten waren voor de nieuwe bewaring, aangezien hij eerder in bewaring was geweest. De rechtbank stelde dat de minister opnieuw mocht proberen tot uitzetting over te gaan en dat geen nieuwe feiten noodzakelijk waren.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.