ECLI:NL:RBDHA:2025:9090
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank constateert dat de beslistermijn door de minister is overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Hierdoor is het beroep terecht en gegrond verklaard.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De minister krijgt een termijn van acht weken om alsnog een besluit te nemen, tenzij hij binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dit schriftelijk aan eiser meedeelt; in dat geval geldt een termijn van twintig weken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding van deze termijnen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht van € 194,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 door rechter A. Skerka.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen met een dwangsom bij overschrijding.