ECLI:NL:RBDHA:2025:9092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL24.12673
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beëindiging tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Eiser maakte bezwaar tegen de brief van de minister van Asiel en Migratie waarin het verzoek tot opschorting van de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming werd afgewezen. De tijdelijke bescherming van eiser was oorspronkelijk vastgesteld tot 4 september 2023, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat deze bescherming doorliep tot 4 maart 2024. De minister stelde dat op grond van deze uitspraak het recht op tijdelijke bescherming van eiser per 4 maart 2024 eindigde en dat er geen reden was om deze beëindiging op te schorten.

De rechtbank heeft het beroep van eiser zonder zitting behandeld en concludeert dat het standpunt van de minister in overeenstemming is met de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025. Daarin is bevestigd dat de tijdelijke bescherming van derdelanders die vóór het uitbreken van de oorlog tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne, per 4 maart 2024 is geëindigd. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet onrechtmatig heeft opgesteld door de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet op te schorten.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen gelijk. Tevens hoeft de minister de proceskosten van eiser niet te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt op 23 mei 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12673

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen een brief van de minister van 20 maart 2024.
1.1
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. In een besluit van de IND stond dat eisers recht op tijdelijke bescherming op
4 september 2023 zou stoppen. In september 2023 kreeg eiser een brief waarin stond dat hij langer gebruik mocht maken van de rechten van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [2] en dat dit mocht tot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uitspraak zou doen. De Afdeling heeft op 17 januari 2024 uitspraak gedaan.
2.1
In een brief van 29 januari 2024 stond dat eiser tot en met 4 maart 2024 onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Het recht op tijdelijke bescherming mocht volgens de Afdeling niet op 4 september 2023 stoppen. Daarom is 4 maart 2024 de laatste dag waarop eiser recht heeft op tijdelijke bescherming. De IND hoeft daarvoor geen nieuw besluit te nemen. Het oude besluit van de IND geldt niet meer. Dat besluit trekt de IND in.
2.2
Eiser heeft vervolgens de minister gevraagd de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming op te schorten, gelet op de lopende procedures bij de Afdeling.
De brief van 20 maart 2024
3. In een brief van 20 maart 2024 heeft de minister het verzoek van eiser om de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming op te schorten afgewezen. De minister schrijft in de brief dat eiser niet bestrijdt dat hij behoort tot de zogenoemde groep derdelanders waarover de Afdeling bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft geoordeeld dat hun recht op tijdelijke bescherming van rechtswege op 4 maart 2024 eindigt. De minister gaat onverkort uit van bedoelde uitspraak, waarin gemotiveerd is uiteengezet dat en waarom het recht op tijdelijke bescherming in de situatie van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege is vervallen. Er is geen aanleiding om de beëindiging van de tijdelijke bescherming op te schorten, aldus de brief.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van 20 maart 2024.
Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025
4. In de uitspraken van 23 april 2025 [3] heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister in 2023 de tijdelijke bescherming van zogenoemde derdelanders in Nederland die daarvóór een tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne, eerder mocht beëindigen dan de tijdelijke bescherming van Oekraïners, staatlozen en derdelanders met een permanent verblijf. De bescherming van derdelanders in Nederland die vóór het uitbreken van de oorlog tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne, is geëindigd op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Oordeel van de rechtbank
5. In geschil is de vraag of de minister de tijdelijke bescherming met ingang van
4 maart 2024 kon beëindigen en mocht stellen dat geen aanleiding bestond om de beëindiging van de tijdelijke bescherming op te schorten. Gelet op het oordeel van de Afdeling in de hiervoor aangehaalde uitspraken dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. De rechtbank is dan ook van oordeel, los van de vraag of de brief van 20 maart 2024 op rechtsgevolg is gericht, dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024 is geëindigd en geen aanleiding bestond om de beëindiging van de tijdelijke bescherming op te schorten. Het beroep is ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7. De minister hoeft de door eiser gemaakte proceskosten niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van D. Drent, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.