Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Hierdoor is het beroep gegrond.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De minister krijgt een termijn van acht weken om alsnog een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000.
Daarnaast stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,- vanwege de verstreken 42 dagen sinds ingebrekestelling. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€453,50) en het griffierecht (€194). De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 april 2025.