ECLI:NL:RBDHA:2025:9121
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de gevolgen van het besluit op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht binnen een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeer naar Turkije.
Verzoeker voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije aan, maar leverde geen onderbouwing en maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard.
Gezien het gebrek aan kans op succes van het bezwaar en het doel van het verzoek om uitzetting te voorkomen, verklaarde de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.