ECLI:NL:RBDHA:2025:9305
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning voor verstandelijk beperkt familielid uit Syrië
Eiser, een verstandelijk beperkt minderjarig familielid uit Syrië met het syndroom van Down, verzoekt om een verblijfsvergunning om bij zijn broer (referent) in Nederland te verblijven. Referent heeft een asielstatus in Nederland en heeft namens eiser de aanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van een beschermingswaardig gezinsleven en een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro die in het nadeel van eiser uitvalt.
De rechtbank overweegt dat hoewel er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent, ook de ouders van eiser in Syrië voor hem zorgen en dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij daartoe niet in staat zijn. De medische situatie van de ouders is onvoldoende onderbouwd om te concluderen dat zij niet kunnen zorgen. Ook het beroep op artikel 3 IVRK Pro weegt niet zwaarder dan het belang van het gezinsleven met de ouders in Syrië.
Daarnaast weegt het economische belang van Nederland mee, aangezien referent een uitkering ontvangt en niet over voldoende middelen beschikt om in het levensonderhoud van eiser te voorzien. De minister heeft ook terecht meegewogen dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, maar dat contact op afstand mogelijk blijft.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning voor verblijf bij familielid in Nederland.