ECLI:NL:RBDHA:2025:9467
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag
Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat verzoeker niet de benodigde informatie verstrekte en zonder opgave van reden was verdwenen. Tevens werd een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht opgelegd.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De zitting vond plaats op 9 mei 2025, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen. Na heropening van het onderzoek op 12 mei 2025 wegens een gemiste uitnodiging, stemden partijen in met afdoening zonder nadere zitting. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu op het beroep uitspraak was gedaan in zaak NL24.40509, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag is afgewezen.