ECLI:NL:RBDHA:2025:9652
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken gegrond risico op vervolging en medische gronden
Eiser, een Colombiaanse marinier, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na bedreiging door een dissidente FARC-groepering. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een vluchtelingenstatus en onvoldoende risico op ernstige schade bij terugkeer. De rechtbank oordeelt dat de nieuwe strengere geloofwaardigheidsbeoordeling niet leidt tot een slechtere positie van eiser en dat het asielrelaas geloofwaardig is, maar onvoldoende zwaarwegend.
De rechtbank stelt vast dat eiser het bevel van de groepering heeft opgevolgd en sindsdien geen problemen meer heeft ervaren, waardoor geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Ook de algemene landeninformatie over Colombia biedt geen aanknopingspunten voor een verhoogd risico. Medische omstandigheden, waaronder PTSS, zijn onvoldoende om een verblijfsvergunning op humanitaire gronden te rechtvaardigen, omdat deze binnen het reguliere beleid vallen.
Verweerder hoefde geen uitstel van vertrek te verlenen en was niet verplicht een BMA-advies op te vragen, aangezien de medische stukken geen bewijs van PTSS of noodzakelijke behandeling bevatten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.