Eiser is op 4 april 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij maakte bezwaar tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot het sluiten van het onderzoek op 14 april 2025.
In het huidige beroep betoogt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend is in het uitzettingsproces, onder meer omdat een verzoek tot lp-aanvraag pas op 11 april 2025 werd verstuurd en uiteindelijk geen nieuwe aanvraag werd ingediend bij de Vietnamese autoriteiten. Eiser stelt dat de vertrekgesprekken geen toegevoegde waarde hebben en dat verweerder onvoldoende actie onderneemt.
De rechtbank toetst de voortvarendheid vanaf 14 april 2025 en oordeelt dat verweerder voldoende inspanningen levert. De DIA heeft geen nieuwe lp-aanvraag ingediend vanwege gebrek aan nadere informatie, maar verweerder voert regelmatig vertrekgesprekken om meer gegevens te verkrijgen. Eiser levert onvoldoende eigen inspanningen om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.
Gelet op deze omstandigheden is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.