ECLI:NL:RBDHA:2025:9806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL25.22378
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18, eerste lid, aanhef en onder b, DublinverordeningArt. 18, eerste lid, aanhef en onder c, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, diende op 11 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 24 september 2023 al een verzoek om internationale bescherming in Duitsland had ingediend. Duitsland had het verzoek tot terugname van eiser geaccepteerd.

Eiser betwistte dit en voerde aan dat Duitsland het claimverzoek tweemaal had geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening, waardoor er geen sprake zou zijn van een asielaanvraag. Hij vreesde refoulement na overdracht en wilde dat Nederland zijn aanvraag zou behandelen.

De rechtbank oordeelde dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat er structurele tekortkomingen zijn in de Duitse asielprocedure of opvang. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard zouden maken.

Daarom was het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22378

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 15 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Egyptische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 11 maart 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. [2] Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 24 september 2023 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 7 april 2025 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen. [3] Op 9 april 2025 hebben de Duitse autoriteiten dit verzoek aanvaard. [4]
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat Duitsland het claimverzoek twee maal heeft geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder c, van de Dublinverordening. Dit betekent dat er geen sprake is van een asielaanvraag. Om die reden is hij na de eerdere overdracht aan Duitsland weer teruggekeerd naar Nederland. Nu Duitsland zijn asielaanvraag kennelijk niet behandelt, vreest eiser voor refoulement na de overdracht. Hij meent dat verweerder zijn asielaanvraag in behandeling dient te nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het is niet in geschil dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
5. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat voor Duitsland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt wordt ook bevestigd in vaste jurisprudentie. [5] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland zijn. Bovendien mag verweerder als gevolg van het claimakkoord, ongeacht de grondslag daarvan, ervan uitgaan dat eiser in Duitsland in de gelegenheid wordt gesteld om een nieuwe asielaanvraag in te dienen en dat deze nieuwe asielaanvraag in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Bij voorkomende problemen kan eiser zich wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
4.Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.