ECLI:NL:RVS:2025:588
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een asielaanvraag van een Marokkaanse vreemdeling en haar drie jongste kinderen niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd of overdracht onevenredig hard was.
De minister ging in hoger beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht had gemotiveerd dat overdracht aan Duitsland niet onevenredig hard is, mede omdat de vader en de drie oudste kinderen een subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland hebben.
De vreemdeling voerde aan dat er ernstige tekortkomingen zijn in de Duitse asielprocedure en opvang, maar de Afdeling vond dat dit niet aannemelijk was gemaakt. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van de minister gegrond, waardoor het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag standhoudt.