ECLI:NL:RBDHA:2025:9812

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL25.20563 en AWB25/10063
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepen tegen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel HTL

De rechtbank Den Haag heeft op 4 juni 2025 twee beroepen behandeld van een asielzoeker tegen het besluit van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) om hem in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen en tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie.

Het incident dat aan deze besluiten ten grondslag ligt vond plaats op 5 april 2025 op het asielzoekerscentrum Zoetermeer, waarbij eiser zich agressief en bedreigend opstelde tegenover COa-medewerkers en politie. Het COa kwalificeerde het gedrag als een incident met zeer grote impact vanwege de doodsbedreigingen en racistische uitlatingen.

Eiser betwistte de feiten en de kwalificatie, stelde dat hij geen bedreigingen of racistische uitspraken heeft gedaan en dat het plaatsingsbesluit onjuistheden bevatte. De rechtbank oordeelde dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten tot plaatsing in de HTL en dat de videobeelden het oordeel niet anders maken.

De rechtbank benadrukte dat de HTL-maatregel geen straf is, maar een bestuursrechtelijke ordemaatregel gericht op veiligheid en gedragsverandering. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel werd ongegrond verklaard, evenals het verzoek om schadevergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20563 en AWB25/10063

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2025 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 8 april 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 8 april 2025 in een HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit. [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en eiser de gelegenheid gegeven videobeelden in te dienen. Nadat die beelden zijn ingediend en verweerders daarop hebben gereageerd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 2 juni 2025.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 5 april 2025 heeft een incident plaatsgevonden op het asielzoekerscentrum Zoetermeer. Eiser was hier in het begin niet bij betrokken. Een vriend van eiser (en kamergenoot) stond bij de receptie waar een discussie snel escaleerde tussen zijn vriend en COa-medewerkers. Eiser komt in beeld op het moment dat hij wordt opgehaald door zijn vriend en samen terugkomt naar de receptie. Op het moment dat de politie arriveerde reageerde eiser agressief, verhief hij zijn stem en gebruikte dreigende lichaamstaal. Eiser reageerde niet op de-escalerende acties en liep stap voor stap dreigend op de COa-medewerkers af. Eiser uitte ernstige bedreigingen in het Arabisch naar de medewerkers, zoals: 'Ik ga nu vrienden bellen om te komen vechten tegen het COA en die vieze aap' en 'Jullie COA mensen gaan er allemaal aan, vuile racisten’. Ondertussen wordt de andere bewoner (eiser in de andere zaak) aangehouden door de politie. Eiser stelde zich verbaal agressief op richting de politie (opgeheven borst en heftige gebaren) en probeerde herhaaldelijk tussen de agenten en zijn vriend in te komen. Daarnaast begon hij de politieagenten, de COa-medewerkers, beveiligers, toezichthouders en medebewoners, te filmen. Vervolgens is eiser weer naar zijn kamer gegaan en heeft hij zich omgekleed, liep daarna richting de uitgang van het gebouw, maakte agressieve gebaren en sprak luidruchtig in het Arabisch. Het COa heeft hem direct medegedeeld dat hij een locatieverbod opgelegd krijgt. Eiser richtte zich vervolgens tot de politieagenten en zei over een COa-medewerker: 'Waar is die zwarte? en 'Hij behandelt ons als dieren’. Vervolgens is eiser naar zijn kamer begeleidt om uw spullen te pakken en schreeuwde tijdens het weglopen: "Waar is hij, die kanker zwarte? Ik neuk zijn moeder! Ik ga hem iets aandoen. Ik ga mijn vrienden bellen, het COa en die zwarte gaan eraan!’
3.1.
Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact. Het gaat volgens het COa om gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen. Eiser heeft volgens het COa doodsbedreigingen richting COa-medewerkers geuit. Daarnaast is ook sprake van ernstige kleinering, gelet op de racistische uitlatingen richting de COa-medewerkers. Volgens het COa was eiser met zijn gedrag uit op een fysieke confrontatie. Eiser bleef terugkeren naar de plek van de confrontatie, benaderde medewerkers op een fysiek agressieve manier en negeerde tussenkomst van anderen. Het COa heeft daarom besloten om eiser in de HTL te plaatsen en heeft ook geen redenen gezien om van oplegging af te zien. Het COa heeft eisers zienswijze bij het besluit betrokken.
Verslaglegging van het COa
4. Eiser betwist het incident. Hij stelt dat hij geen opdracht heeft gegeven om een mes van zijn kamer te halen. Dat klopt volgens het verweerschrift. Dat staat ten onrechte in het besluit. Eiser ontkent ook gezegd te hebben "dat hij vrienden zou bellen om te komen vechten tegen het COa en die vieze aap" en "Jullie COa mensen gaan er allemaal aan, vuile racisten". Eiser betoogt geen dreigementen te hebben geuit of racistische uitspraken te hebben gedaan. Verder is er geen mes aangetroffen. Eiser ontkent ook verbaal agressief te zijn geweest of fysiek agressief op de medewerkers te zijn afgelopen. Eiser betoogt dat uit het plaatsingsbesluit niet blijkt of er sprake is van dreigementen toen hij weg liep, omdat hij onverstaanbaar praatte. Eiser stelt videobeelden te hebben van het incident.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten, dat eiser in de HTL kan worden geplaatst. Het COa heeft in het verweerschrift erkend dat inderdaad in de maatregel ten onrechte is opgenomen dat eiser opdracht heeft gegeven om een mes uit de kamer te halen. In zoverre wordt de verslaglegging dus niet gevolgd. Voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Eiser stelt dat hij geen bedreigingen heeft geuit en geen racistische uitspraken heeft gedaan. De enkele stelling is echter onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser dit niet heeft gezegd. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het COa in haar feitenonderzoek de lezing van verschillende personen, die aanwezig waren bij het incident, heeft betrokken. De rechtbank overweegt tot slot dat ook de videobeelden het oordeel niet anders kunnen maken. Deze beelden tonen vooral de situatie vanaf het moment dat de medebewoner wordt gearresteerd, niet wat er daarvoor is gebeurd. Weliswaar is op deze beelden niet te zien dat die medebewoner zich verzette bij het moment waarop hij geboeid wordt door de politie, maar dat betekent niet dat de rol van eiser in de momenten daarvoor of daarna anders was dan door het COa is neergelegd in de verslaglegging. De videobeelden gaan namelijk niet over die momenten. Het voorgaande betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat het incident zoals dat hiervoor is samengevat zich heeft voorgedaan.
Kwalificatie
5. Eiser betoogt dat het incident ten onrechte is gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact. Er is volgens eiser geen sprake van dreigementen, racistische uitspraken of fysiek agressief gedrag.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het incident, gelet op rechtsoverweging 3.1. en 4.1., terecht is gekwalificeerd als een gedraging met zeer grote impact. Eisers gedrag had namelijk als doel een ander ernstig te bedreigen (de doodsbedreigingen) en ernstig te kleineren (de racistische uitlatingen).
Plaatsing in de HTL
6. Niet in geschil is dat bij een incident met zeer grote impact een HTL-maatregel kan volgen. Omstandigheden die hadden moeten leiden tot een lichtere maatregel zijn niet aangevoerd en voorts ook niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking de ernst van het feit en het feit dat eiser al eerder betrokken is geweest bij incidenten met verbaal en/of fysiek geweld. Aan eiser zijn ook eerder al gedragscorrigerende maatregelen opgelegd. Nu deze niet hebben geleid tot een zodanige gedragsverandering dat eiser niet meer betrokken raakt bij dit soort incidenten, is het opleggen van de HTL-maatregel in dit geval passend en geboden.
Dubbele bestraffing
7. Door plaatsing op de HTL is er volgens eiser sprake van een dubbele bestraffing. Eiser heeft namelijk ook een locatieverbod opgelegd gekregen.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat plaatsing in de HTL geen bestraffende, maar een bestuursrechtelijke ordemaatregel is. De plaatsing beschermt medebewoners en medewerkers tegen overlastgevers en waarborgt de veiligheid op de locatie. Ook is de plaatsing bedoeld om eiser te confronteren met zijn gedrag en om gedragsverandering teweeg te brengen. Het COa heeft hierin een zelfstandige taak en wettelijke bevoegdheden en plaatsing in de HTL kan niet als een ‘criminal charge’ worden aangemerkt. [4] Omdat het hier geen ‘criminal charge’ betreft, is van een dubbele bestraffing daarom geen sprake.
Vrijheidsbeperkende maatregel
8. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af
.

Conclusie

9. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 4 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 10 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6252, r.o. 9.2.