ECLI:NL:RBDHA:2025:9814

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL25.20564 en AWB25/10050
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vreemdelingenwet 2000Art. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel in asielzoekerscentrum na agressief incident

De rechtbank Den Haag heeft op 4 juni 2025 twee beroepen van een asielzoeker van Syrische nationaliteit behandeld. Het eerste beroep betrof het besluit van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) om eiser te plaatsen in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) na een incident op 5 april 2025 in een asielzoekerscentrum te Zoetermeer. Het tweede beroep betrof een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister.

Het incident bestond uit agressief gedrag van eiser, waaronder verbale agressie, dreigementen, racistische uitlatingen, bespugen van een medewerker, en oproepen aan derden om geweld te plegen. Het COa kwalificeerde dit als een gedraging met zeer grote impact en besloot tot plaatsing in de HTL. Eiser betwistte de feiten en stelde dat hij niet agressief was en geen bedreigingen had geuit, en dat hij slachtoffer was van geweld.

De rechtbank oordeelde dat het COa op goede gronden en met voldoende bewijs, waaronder verklaringen van meerdere getuigen, het incident juist had beoordeeld. De videobeelden betroffen alleen het moment van arrestatie en konden het oordeel niet wijzigen. De rechtbank bevestigde dat de HTL-maatregel een bestuursrechtelijke ordemaatregel is en geen straf, waardoor geen sprake is van dubbele bestraffing.

De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20564 en AWB25/10050

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2025 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 7 april 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 7 april 2025 in een HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en eiser de gelegenheid gegeven videobeelden in te dienen. Nadat die beelden zijn ingediend en het COa en de minister daarop hebben gereageerd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 2 juni 2025.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 5 april 2025 heeft een incident plaatsgevonden op het asielzoekerscentrum in Zoetermeer. Eiser stond te roken bij de voordeur en werd hierop aangesproken door een COa-medewerker. Eiser reageerde op agressieve wijze, met dreigende lichaamstaal en verhoogd stemvolume. Eiser schreeuwde daarbij ‘Don’t talk to me’ en ‘Fuck yourself’. De COa-medewerkers probeerden de situatie te de-escaleren, maar eiser weigerde medewerking en werd verbaal agressief. Eiser maakte zich groot, boog zich over een medewerker heen en begon luid in het Arabisch te schreeuwen. Eiser ging vervolgens neus aan neus staan met een andere COa-medewerker, maakte oogcontact en spuugde in het gezicht van de medewerker. De medewerker wilde zijn gezicht afschermen met zijn armen, waarop eiser met gebalde vuisten begon uit te halen richting de medewerker. Medebewoners probeerden tussen beide te komen, daarbij werd een medebewoner geraakt in het gezicht. Eiser bleef in het Arabisch bedreigingen uiten terwijl de medewerker zich terugtrok. Eiser dreigde expliciet met geweld en gebruikte racistische termen richting de medewerkers. De COa-medewerkers hebben de politie gebeld vanwege de ernst van de bedreigingen. In afwachting van de komst van de politie heeft eiser zijn vrienden uit Rotterdam en Amsterdam opgebeld en opgeroepen naar het asielzoekerscentrum in Zoetermeer te komen om te vechten tegen de medewerkers. Eén van de beveiligers sprak Arabisch en verstond wat eiser aan de telefoon zei. Dit waren uitspraken zoals 'Ik ga hem en zijn familie vermoorden’, ‘Ik ga die aap heel hard slaan’, en 'Ik roep iedereen op om hier te komen om problemen te veroorzaken voor het COa.' Toen de politie eenmaal ter plaatse was zei eiser tegen een vriend en kamergenoot dat hij het mes uit zijn kamer moest halen. Eiser verzette zich bij de arrestatie.
3.1.
Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact. Het gaat volgens het COa om gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen. Eiser heeft volgens het COa expliciete doodsbedreigingen richting COa-medewerkers geuit. Daarnaast is ook sprake van ernstige kleinering, gelet op de racistische uitlatingen richting de COa-medewerkers. Ook was het geweld gericht op het daadwerkelijk toebrengen van ernstige fysieke schade, eiser heeft meermalen met gebalde vuisten uitgehaald, raakte een medebewoner in het gezicht en probeerde een medewerker te raken. Dit alles in combinatie met het bespugen en de oproep aan derden om geweld te plegen heeft volgens het COa tot gevolg dat er sprake is van een incident met zeer grote impact. Het COa heeft daarom besloten om eiser in de HTL te plaatsen en heeft ook geen reden gezien om van oplegging af te zien. Het COa heeft de zienswijze van eiser bij het besluit betrokken.
Verslaglegging van het COa
4. Eiser betwist het incident. Eiser stelt dat hij niet op zeer agressieve wijze heeft gereageerd toen een COa-medewerker hem aansprak op het roken van een sigaret. Eiser ontkent te hebben gezegd ‘Dont talk to me’ en ‘fuck yourself’. Eiser stelt tegen de COa-medewerker te hebben gezegd dat hij het er met zijn casemanager over zal hebben. Eiser voert verder aan dat de COa-medewerker hem heeft geslagen, hij is slachtoffer in dit verband en geen dader. Eiser ontkent ook te hebben gezegd ‘Ik ga hem en zijn familie vermoorden’, ‘Ik ga die aap heel hard slaan’, ‘Ik roep op om hier te komen om problemen te veroorzaken voor het COa’ en ‘Jullie gaan er hoe dan ook allemaal aan’. Verder ontkent eiser dat hij zijn vriend en kamergenoot de opdracht heeft gegeven om een mes uit zijn kamer te halen. Eiser voert aan dat er later door de politie ook geen mes is aangetroffen. Eiser stelt niet te hebben gedreigd en geen racistische uitspraken te hebben gedaan. Eiser ontkent verbaal agressief te zijn geweest en agressief op de COa-medewerkers te zijn afgelopen. Eiser betoogt tot slot dat er video-opnames zijn gemaakt van het incident die een andere lezing geven van de feiten dan de beschikking. Op deze beelden zou namelijk te zien zijn dat eiser zich niet hevig verzette bij zijn arrestatie. Ook stelt eiser te zijn geslagen door de politie.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten, dat eiser in de HTL kan worden geplaatst. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Eiser stelt dat hij geen bedreigingen heeft geuit en geen racistische uitspraken heeft gedaan. Deze enkele stelling is onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser dit niet zou hebben gezegd, het COa heeft namelijk in haar feitenonderzoek verklaringen van verschillende personen, die aanwezig waren bij het incident, betrokken. Dat er later door de politie geen mes is aangetroffen in zijn kamer doet niet af aan de opdracht die hij blijkens de verslaglegging heeft gegeven. De enkele stelling van eiser dat hij dit niet heeft gedaan is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank overweegt tot slot dat ook de na de zitting overgelegde videobeelden het oordeel niet anders kunnen maken. Deze beelden tonen vooral de situatie vanaf het moment dat eiser wordt gearresteerd, niet wat er daarvoor is gebeurd. Weliswaar is op deze beelden niet te zien dat eiser zich verzette bij het moment waarop eiser geboeid wordt door de politie, maar dat betekent niet dat de rol van eiser in de momenten daarvoor totaal anders was dan door het COa is neergelegd in de verslaglegging. De videobeelden gaan namelijk niet over die momenten. Het voorgaande betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat het incident voorafgaand aan de arrestatie zoals dat hiervoor is samengevat zich heeft voorgedaan.
Kwalificatie
5. Eiser betoogt dat het incident ten onrechte is aangemerkt als een incident met grote en/of zeer grote impact. Hiertoe voert eiser aan dat hij niet agressief is geweest, dat hij geen dreigementen heeft geuit en geen racistische uitspraken heeft gedaan. Het incident is daarom onterecht gekwalificeerd als een gedraging met grote impact.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het incident terecht is gekwalificeerd als een gedraging met zeer grote impact. Eisers gedrag had namelijk als doel een ander ernstig te bedreigen (de expliciete doodsbedreigingen), ernstig te kleineren (de racistische uitlatingen) en ernstige fysieke schade toe te brengen (met gebalde vuisten slaan).
Plaatsing in de HTL
6. Niet in geschil is dat bij een incident met zeer grote impact een HTL-maatregel kan volgen. Omstandigheden die hadden moeten leiden tot een lichtere maatregel zijn niet aangevoerd en voorts ook niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking de ernst van het feit en het feit dat eiser al eerder betrokken is geweest bij incidenten met verbaal en/of fysiek geweld. Aan eiser zijn ook eerder al gedragscorrigerende maatregelen opgelegd. Nu deze niet hebben geleid tot een zodanige gedragsverandering dat eiser niet meer betrokken raakt bij dit soort incidenten, is het opleggen van de HTL-maatregel in dit geval passend en geboden.
Dubbele bestraffing
7. Door plaatsing op de HTL is er volgens eiser sprake van een dubbele bestraffing. Eiser heeft namelijk al een locatieverbod opgelegd gekregen.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat plaatsing in de HTL geen bestraffende, maar een bestuursrechtelijke ordemaatregel is. De plaatsing beschermt medebewoners en medewerkers tegen overlastgevers en waarborgt de veiligheid op de locatie. Ook is de plaatsing bedoeld om eiser te confronteren met zijn gedrag en om gedragsverandering teweeg te brengen. Het COa heeft hierin een zelfstandige taak en wettelijke bevoegdheden en plaatsing in de HTL kan niet als een ‘criminal charge’ worden aangemerkt. [4] Omdat het hier geen ‘criminal charge’ betreft is van een dubbele bestraffing daarom geen sprake.
Vrijheidsbeperkende maatregel
8. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie

9. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COA het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 4 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 10 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6252, r.o. 9.2.