Eiser, een Wit-Russische asielzoeker, vroeg in januari 2022 asiel aan in Nederland. Hij stelde dat hij vanwege het vermijden van militaire dienst en vervolging door de Wit-Russische autoriteiten, waaronder gedwongen opname in een psychiatrische inrichting en intimidatie, bescherming nodig had. De minister van Asiel en Migratie wees zijn aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid.
De rechtbank beoordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde en zijn verklaringen inconsistent waren. Hij leverde geen overtuigende documenten aan en gaf tegenstrijdige verklaringen over zijn detentie en de reden daarvan. Ook was het onwaarschijnlijk dat hij legaal uit Wit-Rusland kon vertrekken terwijl hij beweerde gezocht te worden.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht niet geloofde dat eiser in negatieve aandacht stond van de autoriteiten of nog militaire dienst moest vervullen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44994
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Heida),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
In het besluit van 21 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1984 en heeft de Wit-Russische nationaliteit. Hij heeft op 23 januari 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Als reden om asiel aan te vragen heeft eiser het volgende opgegeven. In 2004 is hij uit zijn land vertrokken omdat hij niet in militaire dienst wilde. Sindsdien komen er agenten langs bij het huis van zijn moeder, waar hij staat ingeschreven. In 2013 is hij teruggekeerd. Hij ontdekte toen dat er drugs werden verhandeld in zijn woonplaats Polotsk en dat dit door de autoriteiten werd afgeschermd. Vervolgens is eiser vastgezet in een psychiatrische inrichting, waar hij werd volgestopt met medicatie. Toen hij werd vrijgelaten, moest hij daar een half jaar tot een jaar van bijkomen. Eiser heeft aangifte gedaan, maar daar is niets mee gedaan. Eiser is toen naar Rusland gegaan. Toen hij in 2020 weer terugkwam, ontmoette hij een man die hem meenam naar een café. Daar bleken nog twee mannen aanwezig te zijn. Deze mannen hebben zijn telefoon doorzocht en eiser verteld dat hij maar beter kon vertrekken. Ruim een half jaar later is eiser gevlucht. Eiser vreest dat hij in de negatieve aandacht staat van de Wit-Russische autoriteiten en dat hij bij terugkomst ondervraagd en mogelijk opnieuw gedetineerd zal worden door de KGB (Wit-Russische geheime dienst). Ook vreest eiser dat hij alsnog in militaire dienst zal moeten gaan.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Wit-Russische autoriteiten, en ook niet dat eiser nog in militaire dienst moet.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij in de negatieve aandacht van de Wit-Russische autoriteiten staat en dat hij nog in militaire dienst moet. Volgens eiser verwacht verweerder ten onrechte van hem dat hij documenten overlegt om zijn asielrelaas te onderbouwen. Daarbij wijst hij erop dat hij al foto’s en vertalingen van zijn militair boekje en van een militaire oproep heeft overgelegd. Daarnaast betwist eiser dat hij onaannemelijk en tegenstrijdig heeft verklaard. Ten slotte stelt eiser dat zijn relaas past binnen wat algemeen bekend is over Wit-Rusland. Hierbij wijst hij op het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Wit-Rusland van 7 december 2021 en op de website van Amnesty International (www.amnesty.nl/landen/wit-rusland).
5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Eiser heeft niet oprecht geprobeerd om zijn aanvraag te staven met documenten, en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Volgens pagina 101 van het door eiser aangehaalde ambtsbericht is er geen informatie beschikbaar over hoe de autoriteiten van Wit-Rusland teruggekeerde migranten behandelen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. De wijze waarop een asielaanvraag moet worden beoordeeld, volgt uit artikel 4 vanPro de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), overgenomen in artikel 31 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Daarin staat dat verweerder eerst een oordeel geeft over de door de asielzoeker overgelegde bewijsmiddelen, maar dat ook een asielaanvraag die niet met bewijsmateriaal is gestaafd geloofwaardig kan worden geacht als de asielzoeker een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven, een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van bewijsmateriaal en verklaringen heeft afgelegd die samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met algemene en specifieke informatie die relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag.
7. In dit licht heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om documenten te overleggen, en dat hij geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten. Eiser heeft immers omtrent de gestelde gedwongen opname in een psychiatrische kliniek verklaard dat er sprake was van een medisch dossier, maar hij heeft geen pogingen ondernomen om dit te overleggen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat er in de loop der jaren misschien wel dertig politieoproepen op zijn thuisadres zijn achtergelaten. Ook deze heeft hij niet gepoogd te overleggen. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn verklaring dat het redelijkerwijs niet van hem verwacht mocht worden om al die jaren een dossier bij te houden, niet wetende dat hij in 2022 in Nederland asiel zou aanvragen. Dit verhoudt zich immers niet met zijn verklaring dat hij in 2004 al aanleiding zag om Wit-Rusland te verlaten.
8. Vervolgens heeft verweerder ten aanzien van eisers verklaringen terecht tegengeworpen dat eiser zijn vrees voor de Wit-Russische autoriteiten en de reden voor de gestelde gedwongen opname in een psychiatrische kliniek slechts kan baseren op vermoedens. Bovendien heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij hierover wisselend heeft verklaard. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij mogelijk ongemerkt is gedrogeerd, maar anderzijds dat er mogelijk een drugstest is vervalst teneinde hem te kunnen opnemen. Ook heeft eiser enerzijds verklaard dat de reden voor de gedwongen opname gelegen was in zijn rondkletsen over de drugsdealer [persoon], maar heeft hij anderzijds verklaard dat dit niets met elkaar te maken heeft. Verder heeft verweerder hierbij terecht betrokken dat eiser op verschillende momenten tijdens zijn nader gehoor niet heeft kunnen of willen vertellen wat de reden voor de vele gestelde politiebezoeken bij hem thuis is geweest.
9. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat hij na zijn vrijlating uit de psychiatrische kliniek terug zou gaan naar zijn ouderlijk huis en dat hij melding (aangifte) heeft gedaan bij de politie. Dit verhoudt zich immers niet met eisers verklaringen dat de politie bij hem thuis naar hem op zoek was, en dat hij in die periode vanwege het toedienen van medicijnen er zo slecht aan toe was dat hij niet in staat was om de simpelste handeling te verrichten.
10. Verder heeft verweerder de door eiser gestelde aanhouding in het café niet ten onrechte onaannemelijk geacht. Hierbij heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij de (politieke) inhoud van het gesprek niet heeft kunnen weergeven, terwijl hij nu juist stelt dat hij vanwege zijn mening over het regime werd lastiggevallen. Eisers verwijzing naar de landeninformatie, waaruit blijkt dat er in Wit-Rusland willekeurige arrestaties plaatsvinden, is dan ook onvoldoende weerlegging van verweerders tegenwerping. Hierbij heeft verweerder ook terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn telefoon, aangezien hij enerzijds heeft verklaard dat er niks op zijn telefoon te vinden was en anderzijds dat de mannen in het café die hem aanhielden hier dingen hebben uitgevist.
11. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat hij legaal uit Wit-Rusland heeft kunnen uitreizen. Dit verhoudt zich immers niet met zijn stelling dat hij gezocht werd door de Wit-Russische autoriteiten. Eisers stelling, onder verwijzing naar de landeninformatie, dat de autoriteiten hem liever kwijt dan rijk waren vanwege zijn geklets over corruptie rondom drugs kan niet worden gevolgd, aangezien dit gelet op wat hiervoor is overwogen niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht.
12. Ten aanzien van eisers gestelde vrees voor de militaire dienst heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser niet de originelen van het militaire boekje en de militaire oproep heeft overgelegd. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat eiser volgens zijn verklaringen niet hals over kop uit Wit-Rusland is vertrokken, en dat hij bij zijn uitreis aan de grens geen problemen heeft gehad met de autoriteiten. Aangezien verweerder zich ook heeft uitgelaten over de inhoud van de door eiser overgelegde foto’s van deze documenten heeft verweerder, anders dan eiser aanvoert, niet in strijd gehandeld met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:478) in de zaak LH. Verweerder heeft terecht overwogen dat niet uit de foto’s valt op te maken dat eiser nog in militaire dienst moet. Uit de foto’s blijkt namelijk slechts dat eiser nooit in militaire dienst is geweest, dat hij in het bestand van reservisten is geplaatst omdat hij 27 jaar is geworden en dat hij zich moet melden voor het verifiëren van gegevens. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn vrees met zijn verklaringen alsnog aannemelijk te maken, aangezien eiser op dit onderwerp op diverse momenten tijdens het nader gehoor geen antwoord heeft willen geven op vragen. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte in de beoordeling betrokken dat eiser inmiddels veertig jaar is en een gedeeltelijke vrijstelling voor de militaire dienst heeft vanwege scoliose.
13. Bij beide elementen van eisers asielrelaas heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat het feit dat hij gedurende zijn asielprocedure enige tijd met onbekende bestemming vertrokken is geweest niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid. Eiser is in 2024 enige tijd gedetineerd geweest en heeft zich daarna niet onverwijld gemeld bij verweerder. Het niet beschikbaar zijn voor de Nederlandse autoriteiten verhoudt zich niet met de stelling van eiser dat hij bescherming nodig heeft van deze autoriteiten.
14. De conclusie is dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Wit-Russische autoriteiten en dat hij in Wit-Rusland nog in militaire dienst moet. Eisers asielaanvraag is daarom terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.