ECLI:NL:RBDHA:2025:9832

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL25.11636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 Vw 2000Art. 31 lid 7 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele geaardheid

Eiser heeft meerdere asielaanvragen ingediend met als grond dat hij homoseksueel is en vreest voor behandeling bij terugkeer naar Uganda. Na eerdere afwijzingen en ongegrond verklaarde beroepen, diende hij een herhaalde aanvraag in met aanvullende documenten ter onderbouwing.

De minister wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is vanwege onsamenhangende en tegenstrijdige verklaringen. De rechtbank oordeelt dat de minister de overgelegde documenten voldoende heeft betrokken en gemotiveerd waarom deze niet overtuigen.

De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn geaardheid en relatie, en dat de minister niet gehouden was de partner van eiser te horen. De stelling dat bijzondere feiten en omstandigheden aanwezig zijn, wordt niet onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig is genomen en verklaart het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11636

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 maart 2020 een eerste asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag is ten grondslag gelegd dat eiser homoseksueel is en hij daarom bij terugkeer naar Uganda vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De minister heeft de aanvraag bij besluit van 14 mei 2021 afgewezen als ongegrond. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 29 september 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld zodat het besluit van 14 mei 2021 in rechte vast is komen te staan.
2.1.
Op 16 mei 2022 heeft eiser voor zichzelf en voor zijn vrouw en kinderen, een tweede asielaanvraag ingediend. Hieraan is opnieuw ten grondslag gelegd dat eiser homoseksueel is. Zijn vrouw en kinderen hebben geen zelfstandig asielmotief. Ter onderbouwing van zijn asielmotief heeft eiser onder andere verschillende verklaringen overgelegd van zijn partner en lhbti-organisaties, een uitdraai van een whatsappgesprek van de Rainbow groep en foto’s van deelname aan lhbti-bijeenkomsten. De aanvraag is bij besluit van 14 oktober 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft het beroep op 2 februari 2023 ongegrond verklaard. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld, daarmee is het besluit van 14 oktober 2022 in rechte vast komen te staan.
2.2.
Eiser heeft op 14 mei 2024 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Hieraan legt eiser wederom ten grondslag dat hij homoseksueel is. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verschillende stukken overgelegd, waaronder een brief van Rainbow Den Haag, een brief van CQ, een e-mail van de partner van eiser en verschillende foto’s waarop te zien is dat eiser deelneemt aan lhbti-bijeenkomsten.
2.3.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de voorlopige voorziening [1] , op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de partner van eiser, T. Kibuuka als tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser stelt dat hij documenten heeft overgelegd en hiermee een deel van zijn verklaringen heeft onderbouwd. Daarmee heeft eiser een begin van bewijs geleverd. De minister heeft de documenten niet kenbaar betrokken bij de beoordeling van het asielmotief. In het bestreden besluit wordt, na een verwijzing naar overwegingen uit het voornemen over de overgelegde documenten, enkel nog ingegaan op de verklaringen van eiser. Eiser stelt verder dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid van de Vw 2000 [2] . Eiser mist het vermogen om invoelbaar en gedetailleerd te verklaren over zijn geaardheid en zijn gevoelens voor mannen. Dit was ook eisers probleem tijdens de eerdere asielaanvragen. Volgens eiser heeft de minister daarnaast niet voldaan aan de op haar rustende samenwerkingsverplichting, omdat de minister zonder motivering niet is overgegaan tot het horen van de partner van eiser. Eiser verwijst verder naar artikel 31, zevende lid, van de Vw 2000. Eiser stelt dat de overgelegde documenten als ook zijn verklaringen en het aangeboden getuigenbewijs voldoende grond biedt voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, waardoor de herhaalde aanvraag niet kon worden afgewezen met verwijzingen naar eerder afwijzende beslissingen.
4. Eiser heeft bij aanvullende gronden een verklaring overgelegd van stichting Rainbow Den Haag, waaruit blijkt dat eiser beschikt over een membershipkaart en hij bijeenkomsten bijwoont. Daarnaast heeft eiser een eigen verklaring met foto’s en een brief van zijn partner overgelegd waarin de relatie wordt omschreven. Tot slot is een schrijven van LGBT Asylum Support overgelegd, waarin (aanvullend) – samengevat – wordt aangevoerd dat er geen duidelijk referentiekader is opgesteld, de minister ten onrechte geen toetsingskader voor identiteitsgroei hanteert, de verklaringen ten aanzien van zijn relatie met een vrouw niet in samenhang zijn getoetst en er geen aandacht is besteed aan de trauma’s van eiser.
De overgelegde documenten
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser overgelegde documenten voldoende kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft in het voornemen opgenomen welke documenten eiser bij zijn herhaalde aanvraag heeft overgelegd en heeft gemotiveerd waarom aan de documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan wenst te zien. De minister heeft hierbij overwogen dat de steunbrief van [partner], de partner van eiser, door een derde persoon naar [partner] is verstuurd en vervolgens door [partner] is doorgestuurd naar eiser. Nu eiser niet inzichtelijk heeft kunnen maken hoe de steunbrief van [partner] tot stand is gekomen, doet dit volgens de minister afbreuk aan de geloofwaardigheid. De minister heeft verder overwogen dat uit de overgelegde steunbrieven ook niet duidelijk wordt wanneer de relatie met [partner] is begonnen. Nu de in de steunbrieven genoemde data haaks staan op de eigen verklaringen van eiser, doet dit eveneens afbreuk aan de verklaringen. De minister heeft tot slot overwogen dat van eiser had mogen worden verwacht dat hij meer uitleg kon geven over de waarde van de activiteiten voor eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de overgelegde documenten dan ook voldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling en voldoende gemotiveerd waarom aan de documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan wenst te zien.
De verklaringen van eiser
6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig wordt geacht. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat eiser enkel is tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard, zoals opgenomen in artikel 31, zesde lid onder c, van de Vw 2000, hetgeen op zitting is bevestigd door de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat eiser weliswaar weinig diepgaand heeft verklaard, maar dit hangt samen met het gegeven dat eiser niet in staat is om meer te verklaren. Dat eiser onsamenhangend heeft verklaard wordt volgens hem echter ten onrechte tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe heeft de minister kunnen overwegen dat de verklaringen van eiser over zijn relatie met [partner] ongerijmd, algemeen en summier zijn. Op de vraag wat er is veranderd in de relatie heeft eiser verklaard dat de relatie nog hetzelfde is. Verder heeft hij verklaard dat ze samen zijn, dat [partner] de maandelijkse OV-kosten van eiser betaalt en dat [partner] veel voor hem doet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser niet in staat zou zijn om diepgaander te verklaren. De enkele stelling dat eiser niet in staat is diepgaander te verklaren is daartoe onvoldoende. Daarnaast heeft eiser op het M35-O formulier aangegeven dat hij nu beter in staat is te verklaren over zijn geaardheid en dat hij tijdens de vorige procedures niet alles durfde te vertellen. Van eiser had dan ook verwacht mogen worden dat hij in staat was meer inzicht te geven in zijn relatie. De minister heeft verder overwogen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over wanneer zijn relatie is begonnen. Volgens de minister is enigszins te volgen dat eiser geen specifieke data kan benoemen, maar dat eiser meerdere keren niet consistent heeft verklaard over wanneer eiser en zijn partner elkaar hebben ontmoet kan eiser worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte tegengeworpen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De samenwerkingsverplichting
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister de op haar rustende samenwerkingsverplichting heeft geschonden door [partner] niet te horen. De rechtbank merkt allereerst op dat de samenwerkingsverplichting niet inhoudt dat de minister gehouden is [partner] te horen. In beginsel is het aan eiser om zijn asielmotief aannemelijk te maken. Uit het gehoor blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over zijn asielmotief. De rechtbank merkt verder op dat de steunbrief van [partner] kenbaar is betrokken bij de beoordeling. Daarnaast is [partner] in een eerdere procedure reeds op zitting gehoord.
Artikel 31, lid 7, Vw 2000
8. De rechtbank overweegt dat de stelling van eiser dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden zodat de aanvraag niet kan worden afgewezen onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing, niet nader is onderbouwd. Door eiser is enkel in algemene zin verwezen naar zijn verklaringen en naar de overgelegde documenten. De rechtbank ziet in de verklaringen van eiser en in de overgelegde documenten ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, zodat de beroepsgrond niet slaagt.
De in beroep overgelegde aanvullende documenten
9. Met betrekking tot de in beroep overgelegde documenten oordeelt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de brief van Stichting Rainbow niet maakt dat de homoseksuele geaardheid geloofwaardig moet worden geacht. In beginsel dient eiser zijn seksuele gerichtheid met eigen verklaringen aannemelijk te maken. Verklaringen van derden, zoals van Stichting Rainbow, kunnen daarbij dienen als ondersteunend bewijs. De minister heeft in dit kader kunnen overwegen dat de verklaringen van eiser niet geloofwaardig zijn geacht en dat de brief enkel aantoont dat eiser bijeenkomsten heeft bijgewoond, die voor een ieder toegankelijk zijn. Deelnemen aan lhbti-bijeenkomsten is immers niet voorbehouden aan mensen met een homoseksuele geaardheid. De rechtbank overweegt verder dat eerdere soortgelijke verklaringen van eiser en [partner] reeds bij de beoordeling zijn betrokken, zodat de minister hierin evenmin aanleiding heeft hoeven zien om tot een ander oordeel te komen.
10. De rechtbank overweegt het met betrekking tot het schrijven van LGBT Asylum Support als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is het referentiekader van eiser voldoende betrokken bij de beoordeling. De rechtbank stelt vast dat het referentiekader in de eerste procedure al is uiteengezet en dat in de besluitvorming is opgenomen wat van eiser mag worden verwacht. Door eiser is niet nader onderbouwd waarom het referentiekader niet (langer) zou kloppen dan wel op welke punten eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren als gevolg van het referentiekader. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van trauma’s bij eiser die bij de besluitvorming zouden moeten worden betrokken. De enkele stelling dat hiervan sprake is, is daartoe onvoldoende. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de verklaringen van eiser niet in samenhang zijn beoordeeld. Uit de besluitvorming blijkt dat de verschillende verklaringen zijn betrokken bij de beoordeling. De minister heeft ook kunnen overwegen dat het gegeven dat eiser en zijn vrouw [naam] uit elkaar zijn gegaan, niet maakt dat de homoseksuele geaardheid daarmee aannemelijk is gemaakt. Hierbij heeft de minister van belang kunnen achten dat eiser heeft verklaard dat zij uit elkaar wilden gaan omdat zij allebei vrij wilden zijn en niet vanwege de homoseksuele geaardheid van eiser. De rechtbank overweegt verder dat het ontbreken van een toetsingskader voor identiteitsgroei niet maakt dat het besteden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister rekening heeft gehouden met de gestelde identiteitsgroei van eiser. Door eiser is niet aangevoerd met welke concrete omstandigheden de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.11637.
2.Vreemdelingenwet 2000.