De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke procedure over een asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie had het asielverzoek van de verzoeker op 6 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg gelijktijdig om een voorlopige voorziening.
Op 27 mei 2025 vond de zitting plaats waarbij verzoeker, zijn partner, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Het onderzoek werd ter zitting gesloten. Op 4 juni 2025 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.11636), waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.