ECLI:NL:RBDHA:2025:9864
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid identiteit en herkomst ondanks taalanalyse en referentiekader
Eiser, afkomstig uit Syrië, verzocht op 13 september 2022 om een verblijfsvergunning asiel, wegens vrees voor vervolging door het Syrische regime en militaire dienstplicht. De minister wees de aanvraag op 5 november 2024 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte wie hij is en waar hij vandaan komt.
De rechtbank behandelde het beroep op 2 april 2025 en concludeert dat de minister terecht rekening hield met het referentiekader van eiser, die laaggeletterd zou zijn, maar onvoldoende bewijs daarvoor leverde. De minister baseerde haar oordeel mede op een taalanalyse van het TOELT, waaruit bleek dat het dialect van eiser niet overeenkomt met Syrische dialecten, maar eerder Marokkaans-Arabisch is.
Eiser leverde inconsistent bewijs over zijn identiteit en documenten, waaronder tegenstrijdige verklaringen over het bezit en verlies van identiteitsbewijzen. Ook het ontbreken van aangifte bij diefstal werd meegewogen. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd twijfelde aan de geloofwaardigheid van eiser.
Het terugkeerbesluit noemt Syrië, Marokko en Iran als mogelijke landen van terugkeer, wat volgens de rechtbank geoorloofd is gezien de onzekerheid over de nationaliteit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.