ECLI:NL:RVS:2022:490
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens twijfel identiteit en nationaliteit
Appellante, geboren in Soedan en sinds 1998 in Nederland met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, verzocht om naturalisatie. De staatssecretaris wees dit verzoek af vanwege twijfel over haar identiteit en nationaliteit, mede gebaseerd op een taalanalyse die haar taalgebruik eenduidig aan Nigeria koppelde in plaats van Soedan.
Eerder had appellante in 2009 een naturalisatieverzoek ingediend, waarbij bleek dat zij zich eerder had voorgedaan als een andere persoon uit Sierra Leone. Dit leidde tot een taalanalyse door TOELT, die de staatssecretaris ook in de huidige procedure als grondslag gebruikte. Appellante voerde aan dat het rapport oud was en zij geen contra-expertise kon bekostigen, maar bracht geen concrete twijfels aan de zorgvuldigheid van het rapport naar voren.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht op het deskundigenadvies mocht vertrouwen en dat de naturalisatie- en verblijfsrechtelijke procedures gescheiden zijn. Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule en het inherente afwijkingsbevoegdheid werd afgewezen omdat de wettelijke vereisten niet konden worden genegeerd. Ook het betoog dat zij had moeten worden gehoord werd verworpen omdat zij geen nieuwe stukken had overgelegd die de twijfels konden wegnemen.
Ten slotte werd een nieuw aangevoerde beroepsgrond over een beleidswijziging buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.