ECLI:NL:RBDHA:2025:9893

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
NL25.17174 en NL25.17175
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 32 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Finland op grond van Dublinverordening

Eisers, allen met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, dienden op 5 januari 2025 asielaanvragen in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Finland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling, hetgeen bevestigd werd door een overnameverzoek dat Finland op 26 februari 2025 accepteerde.

Eisers voerden aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan, met name ten aanzien van de medische situatie van eiser 1 (psychische problemen en suïcidaliteit) en eiser 2 (ernstige psoriasis), en dat de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende waren meegewogen. Tevens werd gesteld dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door geen advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) in te winnen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder in de standaardvoornemens voldoende de dragende overwegingen had opgenomen en dat de medische situatie, hoewel zorgwekkend, niet objectief aantoonde dat overdracht aan Finland zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheid. Het ontbreken van een BMA-advies was niet onzorgvuldig omdat de medische gegevens dit niet vereisten. Ook waren de belangen van de minderjarige kinderen voldoende betrokken.

Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en bevestigde zij dat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-inbehandelingname van de asielaanvragen zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.17174 en NL25.17175
V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] , [V-nummer 4] en [V-nummer 5]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser 1,

[eiseres 1], eiseres 1,
mede namens hun minderjarige kinderen:
[eiseres 2], eiseres 2,
[eiseres 3], eiseres 3,
[eiser 2], eiser 2,
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 7 april 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Eiseres 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1987, [datum 2] 1992, [datum 3] 2018, [datum 4] 2020 en [datum 5] 2022, en hebben allen de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Zij hebben op 5 januari 2025 asielaanvragen ingediend.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eisers door de buitenlandse vertegenwoordiging van Finland in het bezit zijn gesteld van visa, die geldig zijn van 27 december 2024 tot 21 januari 2025. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening [2] is Finland daarmee verantwoordelijk voor de asielaanvragen. Nederland heeft op grond van dit artikel een verzoek om overname gedaan. Op 26 februari 2025 heeft Finland het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Finland vaststaat.
3. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de situatie van eisers door niet de mogelijkheid te bieden om correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor te geven. Daarnaast betreffen de voornemens zogenaamde standaardvoornemens. In het kader hiervan verwijzen eisers naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [3] Verder heeft verweerder ten onrechte nagelaten advies te vragen aan het BMA [4] en is onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiser 1 en eiser 2. Eiser 1 heeft psychische problemen en is suïcidaal. Hij heeft nog geen diagnose gehad van een psychiater, omdat de middelen hiervoor niet voorhanden zijn. Hij heeft eerder twee suïcidepogingen gedaan na uitzetting vanuit Duitsland naar Azerbeidzjan. Eiser 2 heeft ernstige psoriasis. Ter onderbouwing hiervan verwijzen zij naar het arrest C.K. [5] , uitspraken van deze rechtbank [6] en de patiëntendossiers van GZA [7] . Ter zitting zijn foto’s overgelegd met daarop eiser 2 en de psoriasis. Tot slot heeft verweerder de belangen van de minderjarige kinderen niet zichtbaar getoetst, aldus eisers.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Standaardvoornemen
4. De Afdeling heeft bij uitspraak van 11 april 2025 geoordeeld dat verweerder in het voornemen in elk geval alle dragende overwegingen moet opnemen. Het is dan niet onzorgvuldig als verweerder vervolgens pas in het bestreden besluit gedetailleerd ingaat op wat eisers in hun persoonlijke verklaringen en eventuele zienswijze naar voren hebben gebracht. Verweerder heeft in het geval van eisers in de voornemens voldoende duidelijk uiteengezet op grond van welke redenen Finland verantwoordelijk is voor hun asielaanvragen en waarom geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hierbij zijn ook de persoonlijke omstandigheden die eisers naar voren hebben gebracht in hun aanmeldgehoren, zoals de medische situatie van het gezin, betrokken, zodat de voornemens alle dragende overwegingen bevatten. Dat verweerder het rapport van het aanmeldgehoor van eiser 1 pas bij diens bestreden besluit heeft toegezonden, maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit, omdat hij niet in zijn belangen is geschaad. Eiser 1 heeft namelijk bij de gronden van beroep correcties en aanvullingen ingediend die niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Medische situatie
5. Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat verweerder ten aanzien van Finland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6. Uit het arrest C.K. en de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 [8] waarin het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie is uitgewerkt, volgt dat verweerder een BMA-advies hoort op te vragen als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht van een vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand.
7. Uit de overgelegde stukken, zoals de patiëntendossiers en de foto’s van eiser 2, volgt een beeld van de medische situatie waar eisers mee te kampen hebben. De rechtbank begrijpt de zorgen die eisers hebben ten aanzien van de medische situatie van eiser 1 en eiser 2 en snapt de noodzaak voor een behandeling. Echter blijkt niet uit objectieve medische gegevens dat de feitelijke overdracht aan Finland een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser 1 en eiser 2 met zich brengt. Uit de patiëntendossiers blijkt weliswaar dat eiser 1 mentale problemen heeft en dat eiser 2 lijdt aan psoriasis, zoals ook op de overgelegde foto’s te zien is, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Verder zijn de gestelde suïcidepogingen ondernomen nadat eiser 1 met zijn gezin vanuit Duitsland was uitgezet naar Azerbeidzjan, waarbij het in dit geval gaat om een overdracht door Nederland aan Finland.
Ter zitting heeft eiseres 1 aangegeven dat eiser 2 op dit moment medicatie gebruikt die goed aanslaat en zij vreest dat bij overdracht aan Finland dit zal komen te vervallen. In artikel 32 van Pro de Dublinverordening is geregeld dat de Finse autoriteiten bij de overdracht in kennis kunnen worden gesteld van de medische behoeften van eisers. Hiervoor is het belangrijk dat eiser 1 en eiseres 1 toestemming geven aan verweerder om deze informatie met de Finse autoriteiten te delen, zodat eisers na overdracht aan Finland de nodige medische zorg kunnen krijgen. De verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank en verschillende zittingsplaatsen treffen verder ook geen doel. In die zaken was namelijk met objectieve medische gegevens aannemelijk gemaakt dat een overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de vreemdelingen in die zaken of was er reeds een BMA-advies afgegeven.
Belangen van het kind
8. Anders dan eisers stellen, heeft verweerder de belangen van het kind voldoende betrokken bij de bestreden besluiten. Verweerder heeft namelijk de medische situatie van eiser 2 kenbaar getoetst en is de situatie waarin het gezin zich bevindt ook betrokken. Eisers hebben verder niet concreet gemaakt welke andere belangen van de minderjarige kinderen niet zijn betrokken, zodat eisers niet worden gevolgd in hun stelling.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. De beroepen zijn ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Rb Den Haag (zittingsplaats Roermond) 10 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:20680.
4.Bureau Medische Advisering.
5.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
6.Rb Den Haag 2 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15785, (zittingsplaats Haarlem) 12 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11056 en (zittingsplaats ’s-Hertogenbosch) 26 april 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:2393.
7.Gezondheidszorg Asielzoekers.
8.ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980.