ECLI:NL:RBDHA:2025:9940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.22944
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 18, eerste lid, onder b, DublinverordeningArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, diende op 27 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eerder was een soortgelijk besluit ook genomen en bevestigd door de rechtbank en Raad van State, waarna eiser naar Frankrijk werd overgedragen.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege systematische tekortkomingen in het Franse asielsysteem, gebrek aan opvang en medische zorg, en risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Tevens stelde hij dat Nederland het meest geschikte land is voor zijn medische behandeling.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een onrechtmatige behandeling in Frankrijk. Het terugnameverzoek door Frankrijk is aanvaard, waardoor de asielaanvraag daar in behandeling wordt genomen.

Verder heeft eiser geen objectieve medische gegevens overgelegd die aantonen dat overdracht aan Frankrijk onevenredige hardheid oplevert. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22944

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 20 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1993.
2. Eiser heeft op 19 februari 2024 voor de eerste keer asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is bij besluit van 31 juli 2024 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het beroep van eiser daartegen is door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg bij uitspraak van 25 september 2024 [1] ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 oktober 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2] Het bestreden besluit staat daarmee in rechte vast. Eiser is op 17 oktober 2024 overgedragen vanuit Nederland naar Frankrijk.
3. Eiser heeft op 27 februari 2025 wederom een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft de huidige asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [3] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [4] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 juni 2023 in Frankrijk al een verzoek tot internationale bescherming had ingediend. Verweerder heeft op 28 maart 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Franse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 11 april 2025 door Frankrijk aanvaard. [5]
4. Eiser stelt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers ervaringen in Frankrijk nadat hij was overgedragen aan de Franse autoriteiten en verwijst hierbij naar wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Op grond van zijn verklaringen heeft eiser aannemelijk gemaakt dat sprake is van systematische tekortkomingen in het asielsysteem in Frankrijk en dat hij hierover niet kan klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft in beide periodes van verblijf in Frankrijk geen opvang en medische zorg genoten. In Frankrijk heeft eiser herhaaldelijk om hulp verzocht. Dit toont aan dat de problemen in Frankrijk structureel en ernstig zijn, en dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [6] of artikel 4 van Pro het Handvest. [7] De verwijzing naar het claimakkoord door verweerder is onvoldoende. In de praktijk is het akkoord niet nageleefd door de Franse autoriteiten. Verweerder heeft geen nader onderzoek gedaan naar de opvangsituatie in Frankrijk, ondanks concrete aanwijzingen hiervoor vanuit eiser. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft geen medische zorg ontvangen voor zijn psychische klachten en maagklachten. Nederland is het meest geschikte land om te behandelen vanwege eerder ingezette behandelingen. Naast dat de medische voorzieningen van gelijkwaardig niveau zijn, moet deze zorg ook toegankelijk zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling geoordeeld in, onder meer, haar uitspraak van 30 augustus 2024. [8] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Niet is gebleken dat eiser na overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. De situatie die beoordeeld wordt is de situatie die te verwachten is tijdens en na de overdracht. Uit het meest recente AIDA-rapport over 2023 komt geen wezenlijk ander beeld naar voren over de opvangvoorzieningen in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiser heeft geen andere of nieuwe informatie overgelegd dan de informatie waarvan de Afdeling is uitgegaan, en heeft evenmin zijn stellingen ten aanzien van zijn verblijf in Frankrijk en de toegang tot opvang en medische zorg nader onderbouwd. Er is dan ook geen aanleiding om af te wijken van de uitspraken van de Afdeling. Met het aanvaarden van het verzoek tot terugname van eiser door de Franse autoriteiten wordt voorts eisers asielaanvraag in behandeling genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Dit betekent ook dat, als eiser bij overdracht al geen opvang of toegang tot medische zorg zou krijgen, het op zijn weg ligt om daarover in Frankrijk te klagen bij de (hogere) autoriteiten of te daartoe geëigende instanties. Dat dit tijdens zijn eerdere verblijven in Frankrijk voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Niet is gebleken van enige inspanning van eiser op dit punt.
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Door eiser zijn psychische en lichamelijke klachten naar voren gebracht. De medische voorzieningen mogen in beginsel als vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten. Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan eiser is om aan te tonen dat sprake moet zijn van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening, waarbij zijn overdracht aan Frankrijk een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie zou inhouden. [9] Het is aan eiser om deze situatie te onderbouwen met objectieve gegevens. Eiser is hier niet in geslaagd. Zo heeft hij geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij onder medische behandeling staat of dat Nederland het meest aangewezen land is voor de behandeling van zijn gestelde klachten. Eerdere behandelingen voor eisers klachten in Nederland vormen evenmin een aanwijzing dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verordening (EU) nr. 604/2013.
5.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
6.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3480.