Eiser, een Oekraïense nationaliteit dragende persoon, stelde dat hij een verblijfsrecht had afgeleid van het verblijfsrecht van zijn moeder op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Zijn moeder, die mantelzorg ontving van eiser, had een verblijfsrecht op grond van de RTB, maar is inmiddels overleden. Verweerder heeft het verzoek van eiser tot afgeleid verblijfsrecht afgewezen, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de RTB.
De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang had omdat het niet ondenkbaar was dat hij te weinig leefgeld had ontvangen indien hij een verblijfsrecht had gehad. De kernvraag was of familieleden die afhankelijk zijn van een verblijfsgerechtigde op grond van de RTB een afgeleid verblijfsrecht kunnen verkrijgen. De rechtbank stelde dat de RTB onderscheid maakt tussen familieleden die afhankelijk zijn van de verblijfsgerechtigde en familieleden waarvan de verblijfsgerechtigde afhankelijk is. Eiser viel onder de tweede categorie, wat volgens de rechtbank geen recht op afgeleid verblijfsrecht geeft.
De rechtbank volgde de uitleg van de Europese Commissie en de totstandkomingsgeschiedenis van de RTB, waarin het onderscheid is gemaakt om schrijnende situaties van achterblijvende familieleden in Oekraïne te voorkomen. Omdat eiser niet afhankelijk was van zijn moeder, maar andersom, kon hij geen verblijfsrecht ontlenen aan haar status. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van kosten voor de voorlopige voorziening toe.