ECLI:NL:RBDHA:2026:10002
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing proceskostenveroordeling na intrekking beroep verblijfsvergunning
Opposant had beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarin zijn tijdelijke bescherming werd beëindigd en hij moest terugkeren naar zijn land van herkomst. Vervolgens verleende de minister op 20 januari 2025 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, waarna opposant zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat niet was voldaan aan het vereiste van tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. Opposant maakte hiertegen verzet en voerde aan dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling oplegde.
De rechtbank oordeelde dat in de verzetsprocedure alleen beoordeeld kan worden of de vereenvoudigde behandeling zonder zitting terecht is toegepast. Er was geen twijfel over de uitkomst van de eerdere uitspraak, omdat de verleende verblijfsvergunning als tegemoetkoming werd gezien. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de proceskostenveroordeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.