Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker stelde beroep in tegen het besluit van 7 februari 2024 waarin werd bepaald dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer had op tijdelijke bescherming als derdelander uit Oekraïne en moest terugkeren naar zijn land van herkomst. Tijdens de procedure verleende de minister op 20 januari 2025 een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid, waarop verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelt dat intrekking van het beroep wegens het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning niet gelijkstaat aan tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb. Dit omdat het nieuwe besluit losstaat van het oorspronkelijke terugkeerbesluit en niet berust op erkenning van onrechtmatigheid van dat besluit.
De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie dat alleen herziening van het bestreden besluit binnen de grenzen van het geding en op gronden die onrechtmatigheid erkennen, leidt tot proceskostenveroordeling. Verzoeker en zijn gemachtigde hebben daarom geen recht op vergoeding van proceskosten.
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af en maakt de uitspraak zonder zitting bekend op 26 februari 2026.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.