In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die in bewaring was gesteld op grond van de Vreemdelingenwet, heeft tegen het besluit van 29 december 2025 beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 14 januari 2026, waarbij zowel eiser als verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door gemachtigden.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op 26 juni 2025 in bewaring is gesteld en dat deze maatregel op 29 december 2025 is omgezet naar een nieuwe maatregel van bewaring op basis van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Eiser betoogde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel ook de tweede maatregel onrechtmatig maakt, maar de rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel niet automatisch doorwerkt naar de tweede maatregel. De rechtbank heeft de schottentheorie toegepast, die stelt dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel niet direct de rechtmatigheid van een opvolgende maatregel beïnvloedt, mits deze op een andere wettelijke grondslag is gebaseerd.
De rechtbank concludeerde dat de tweede maatregel rechtmatig was opgelegd en dat er geen grond was voor het oordeel dat deze onrechtmatig was. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk binnen één week na bekendmaking.