ECLI:NL:RBDHA:2026:1004

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.64098
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van bewaring en de toepassing van de schottentheorie in vreemdelingenzaken

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die in bewaring was gesteld op grond van de Vreemdelingenwet, heeft tegen het besluit van 29 december 2025 beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 14 januari 2026, waarbij zowel eiser als verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door gemachtigden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op 26 juni 2025 in bewaring is gesteld en dat deze maatregel op 29 december 2025 is omgezet naar een nieuwe maatregel van bewaring op basis van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Eiser betoogde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel ook de tweede maatregel onrechtmatig maakt, maar de rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel niet automatisch doorwerkt naar de tweede maatregel. De rechtbank heeft de schottentheorie toegepast, die stelt dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel niet direct de rechtmatigheid van een opvolgende maatregel beïnvloedt, mits deze op een andere wettelijke grondslag is gebaseerd.

De rechtbank concludeerde dat de tweede maatregel rechtmatig was opgelegd en dat er geen grond was voor het oordeel dat deze onrechtmatig was. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk binnen één week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64098

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Op 26 juni 2025 is eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (de eerste maatregel). Op 23 december 2025 heeft verweerder een verlengingsbesluit genomen op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw. De eerste maatregel is voor het laatst getoetst in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2026 (NL25.63066). In die uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft op 24 december 2025 een asielverzoek ingediend. Op 29 december 2025 heeft verweerder de eerste maatregel opgeheven en aansluitend aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw opgelegd (de tweede maatregel). Het onderhavige beroep heeft betrekking op deze laatste maatregel. In een brief van 12 januari 2026 heeft verweerder eiser schadevergoeding aangeboden voor de periode van bewaring van 23 december 2025 tot en met 29 december 2025. Op de zitting van 14 januari 2026 heeft verweerder toegelicht dat de eerste maatregel in deze periode onrechtmatig heeft voortgeduurd omdat er niet tijdig, uiterlijk op 22 december 2025, een verlengingsbesluit was genomen.
Schottentheorie
2. Eiser betoogt dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel ook de tweede maatregel onrechtmatig maakt en daarom dient te leiden tot opheffing van de tweede maatregel. Daartoe voert eiser allereerst aan dat de situatie waarop de ‘schottentheorie’ ziet, zich niet voordoet in zijn geval. Hij stelt in dit verband dat de gebeurtenis die tot de oplegging van de tweede maatregel heeft geleid – de indiening van zijn asielverzoek – plaatsvond op een moment waarop voor de eerste maatregel al geen wettelijke grondslag meer bestond, zodat voor een omzetting van de maatregel zijns inziens geen ruimte meer bestond. Subsidiair voert eiser aan dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel en tot opheffing van deze laatste maatregel moet leiden omdat sprake is van een ernstige schending van zijn recht om in vrijheid te worden gesteld. Daartoe stelt eiser dat hij gedurende lange tijd zonder wettelijke grondslag in bewaring heeft gezeten. Verder wijst hij er op dat indien hij geen asiel zou hebben aangevraagd, er geen grondslag voor een nieuwe maatregel zou hebben bestaan en hij in vrijheid zou zijn gesteld. Het voorgaande maakt volgens eiser dat de tweede maatregel van meet af aan onrechtmatig is.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
3.1.
Nu verweerder heeft erkend dat de eerste maatregel in de periode vanaf 23 december 2025 tot de opheffing ervan onrechtmatig heeft voortgeduurd, en verweerder daarvoor schadevergoeding aan eiser heeft aangeboden, mag de rechtbank in dit beroep tegen de tweede maatregel uitgaan van de onrechtmatigheid van de eerste maatregel en kan de rechtbank beoordelen of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, r.o. 4.6.
3.2.
Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel een opvolgende maatregel niet direct onrechtmatig maakt. Voor een opvolgende maatregel die op een andere wettelijke grondslag is gebaseerd, gelden namelijk andere vereisten die beoordeeld moeten worden op grond van de omstandigheden die aan die specifieke maatregel ten grondslag liggen. Deze jurisprudentie is bekend als de zogenoemde ‘schottentheorie’. In de uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, heeft de Afdeling overwogen dat het Hof van Justitie (Hof) in het arrest van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868, in de zaak Bouskoura, deze rechtspraak heeft bevestigd door te overwegen dat de vaststelling dat een bewaringsmaatregel onrechtmatig is, niet in alle gevallen impliceert dat de betrokkene onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld, voor zover invrijheidstelling feitelijk niet meer mogelijk is omdat de voortzetting van de bewaring rechtsgeldig wordt gerechtvaardigd op basis van een andere autonome rechtsgrondslag. Om die reden moet volgens het Hof in beginsel worden voorzien in een schadeloosstelling voor personen die ten onrechte in bewaring zijn gehouden, om de schade te vergoeden die zij als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsontneming hebben geleden. De Afdeling heeft verder uit het arrest Bouskoura afgeleid dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel in beginsel geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een opvolgende, op een andere autonome grondslag gebaseerde maatregel. De bevoegde rechterlijke autoriteit is daarom niet verplicht om deze persoon onmiddellijk in vrijheid te stellen op de enkele grond dat een eerdere vastgestelde bewaringsmaatregel onrechtmatig is geworden.
3.3.
De beroepsgrond dat de situatie waarop de schottentheorie ziet zich niet voordoet in eisers geval, slaagt niet. De omstandigheid dat verweerder de eerste maatregel niet tijdig heeft verlengd, laat onverlet dat de bewaring van eiser op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw heeft voortgeduurd tot de opheffing ervan op 29 december 2025. Dat verweerder thans erkent dat de eerste maatregel onrechtmatig was vanaf 23 december 2025 en eiser daarna zijn asielaanvraag heeft ingediend, doet daaraan niet af. Na de opheffing van de eerste maatregel is eiser aansluitend in bewaring gesteld op de grondslag van artikel 59b van de Vw. Eiser heeft dus ononderbroken op twee verschillende wettelijke grondslagen in bewaring gezeten en vanwege de voortzetting van de bewaring op de nieuwe grondslag, is invrijheidstelling vanwege de geconstateerde onrechtmatigheid feitelijk niet meer mogelijk. In de situatie van eiser moet dus worden getoetst aan de hiervoor genoemde rechtspraak. De beroepsgrond slaagt niet.
3.4.
Het uitgangspunt is dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel de opvolgende maatregel niet direct onrechtmatig maakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel toch doorwerkt in de tweede maatregel op grond van het bestaan van een ernstige schending van het recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Vast staat dat eiser zeven dagen ten onrechte op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gehouden. De rechtbank merkt dit aan als een relatief korte periode. Ter vergelijking wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2023, ECLI:RVS:2023:3508, waarin sprake was van een periode van negen dagen onrechtmatige bewaring. De duur van de periode van onrechtmatige bewaring op zichzelf is daarom niet voldoende om een ernstige schending als hiervoor bedoeld aan te nemen. Ook de stelling dat als eiser geen asielaanvraag had ingediend hij op vrije voeten zou zijn gesteld, levert geen ernstige schending op. Eiser heeft er immers zelf voor gekozen om zonder overleg met zijn gemachtigde op 24 december 2025, toen hij nog in bewaring zat op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, asiel aan te vragen. Het gevolg van deze keuze – dat de bewaring op 29 december 2025 is omgezet – komt voor zijn rekening en risico. Uit het voorgaande volgt dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel niet doorwerkt in de tweede maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het bovenstaande brengt mee dat de rechtbank dient te beoordelen of de tweede maatregel, op zichzelf beschouwd, rechtmatig is opgelegd en rechtmatig voortduurt.
4.1.
De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de inbewaringstelling van 29 december 2026 als zodanig. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de tweede maatregel tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.