Verzoekers uit Gaza, die een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor Nederland hebben gekregen, kunnen de grens van Gaza niet zonder hulp oversteken. Zij hebben de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om consulaire bijstand om Gaza te verlaten. De minister wees dit verzoek af en verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk, omdat het geen besluit in de zin van de Awb zou betreffen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag volgt dit standpunt niet en wijst, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de verzoeken om voorlopige voorziening toe. De minister wordt opgedragen zich in te spannen om de verzoekers te helpen Gaza te verlaten om hun mvv op te halen. De zaak is inhoudelijk niet beoordeeld; het gaat om een belangenafweging gezien de schrijnende situatie in Gaza en het belang van verzoekers.
De minister wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van de verzoekers. De bodemprocedure wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in hoger beroep. De uitspraak benadrukt dat het niet betekent dat de afwijzing een besluit is in de zin van de Awb of dat de minister een publieke taak heeft aangenomen, dit wordt in de bodemprocedure behandeld.