ECLI:NL:RBDHA:2026:10062
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Verweerder heeft op 7 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 maart 2026 zonder zitting.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 20 maart 2026 tot 26 maart 2026, aangezien de maatregel tot dat moment reeds rechtmatig was bevonden in een eerdere uitspraak. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de overdracht aan Duitsland, ondanks een claimakkoord op 23 maart 2026 en het ontbreken van een overdrachtsbesluit en aankondiging in het dossier.
De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk voortvarend handelde, met een Dublinclaim op 9 maart 2026, een claimakkoord op 23 maart 2026 en een overdrachtsbesluit op 26 maart 2026. Het ontbreken van een aankondiging drie dagen na het akkoord was niet onredelijk gezien de voorbereiding die een overdracht vereist. Ook ambtshalve toetsing aan EU-recht en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.