Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Op donderdag 8 augustus stond in het Leidsch Dagblad een groot artikel over de negatieve
1. Brutosalaris
2.Werkgeverslasten
30% tot 40% van het brutoloon.
3.Totaal directe loonkosten per jaar:
€ 87.226
4.Productieve uren per jaar (aan de hand van tabel CBS ‘gemiddeld aantal
5. € 87.226 ÷ 1.350 = € 64,62 per uur
6. Correctie
bijlage 8.
- Eiseres benadrukt dat – anders dan verweerder stelt – onder de Dienstenrichtlijn de leges niet meer mogen bedragen dan de werkelijke kosten van de individuele aanvraagprocedure. Kruissubsidiëring is niet toegestaan. De verwijzing van verweerder naar de algemene maatstaf voor het heffen van leges, waarbij niet van elke afzonderlijke dienst behoeft te worden aangetoond dat deze slechts kostendekkend is, treft dus geen doel.
- Eiseres stelt dat de leges discriminerend zijn, omdat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen kleine particuliere verhuurders die één woning verhuren en grote bedrijfsmatige verhuurders met meerdere of zelfs tientallen panden. In aanvulling hierop stelt eiseres dat het feitelijk onmogelijk is dat deze beoordelingen evenveel tijd en administratieve middelen vergen. Bij grotere portefeuilles is de toetsing op onderhoud, huurprijs en de achtergrond van de verhuurder immers exponentieel tijdrovender. Hierdoor betaalt de kleine verhuurder voor de grote verhuurder en volgens eiseres is dit verboden kruissubsidiëring.
- Eiseres stelt dat de geclaimde uren in de kostenonderbouwing (zie onder 6) niet in verhouding staan tot de feitelijke werkzaamheden. Voor haar aanvraag heeft eiseres slechts een online formulier met drie bijlagen ingediend. Er zijn door de gemeente geen vragen gesteld en er heeft geen locatiebezoek plaatsgevonden. Van een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van eiseres is dan ook nauwelijks sprake geweest. Volgens eiseres blijkt dit laatste ook uit de zeer summiere en algemene voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden (zie onder 3).
- Op basis van de Dienstenrichtlijn mogen de kosten die voor het verkrijgen van een vergunning in rekening worden gebracht geen afschrikkend effect hebben op de aanbieders van diensten. Volgens eiseres voldoet verweerder niet aan deze norm; het hoge legesbedrag vormt met name voor de kleine particuliere verhuurder een prikkel te stoppen met de verhuur.
- Eiseres stelt dat de kosten voor algemene handhaving, opsporing van illegale verhuur, algemeen toezicht en follow-up op grond van de Dienstenrichtlijn niet in de leges mogen worden verwerkt en dat verweerder de (loonkosten voor) toezichthouders ten onrechte heeft meegerekend. Verder stelt eiseres dat de toepassing van de hoge schalen bij de berekening van de loonkosten niet is onderbouwd, aangezien de werkzaamheden feitelijk administratief van aard zijn.
- Eiseres stelt dat verweerder niet specificeert welke kosten vallen onder het begrip overhead. Daardoor is niet duidelijk in hoeverre dergelijke kosten al gedekt worden door de rijksbijdragen of slechts betrekking hebben op de aanvraagprocedure.
- Eiseres stelt dat de specificatie pas achteraf is opgesteld, niet geloofwaardig is en een mislukte poging is om het eerder bepaalde hoge legesbedrag te rechtvaardigen.
- Tot slot benoemt eiseres dat in de gemeente Den Haag en de gemeente Rotterdam de leges voor vergelijkbare werkzaamheden respectievelijk circa € 270 en € 330 bedragen. Het feit dat de leges in de gemeente Leiden zoveel hoger zijn onderstreept de onredelijkheid en het gebrek aan kosteneffectiviteit.
€ 1.020 aan kosten per aanvraag. Verweerder stelt dat per aanvraag sprake is van een individuele beoordeling en verwerking en dat het tarief passend en in overeenstemming is met de uitgangspunten van de legessystematiek zoals bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de personeelskosten van toezichthouders zijn meegerekend, omdat uitsluitend deze werknemers de Basisregistratie Personen kunnen raadplegen en deze raadpleging nodig is voor de behandeling van de aanvragen. Verder heeft verweerder onder andere verklaard dat uitsluitend de ontvangst en registratie van de aanvraag (0,5 uur) administratieve werkzaamheden betreft.
Voorts kan een Lid-Staat voorzien in forfaitaire rechten die voor onbepaalde tijd worden vastgesteld, mits hij zich regelmatig ervan vergewist, dat die bedragen de gemiddelde kosten van de betrokken verrichtingen niet overschrijden.”
Dienaangaande zij vastgesteld dat deze methode ter bepaling van het bedrag van de te betalen bijdrage een redelijke weergave van de totale kosten is en weinig verschilt van de werkelijke kosten in elk individueel geval. (…)
mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.