ECLI:NL:RBDHA:2026:10145
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring gemeente Den Haag ondanks schrijnende gezinssituatie
Eiseres, woonachtig in een sociale huurwoning met zes kinderen en een kleindochter, vroeg een urgentieverklaring aan vanwege medische redenen en de te kleine woonruimte. De gemeente Den Haag wees de aanvraag af op grond van meerdere algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening 2023, waaronder het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem en het feit dat het probleem redelijkerwijs voorkomen of anderszins opgelost kon worden.
Na bezwaar handhaafde de gemeente haar standpunt en voerde ook aan dat eiseres niet voldoende had gereageerd op passend woningaanbod. Eiseres voerde aan dat zij de vorige woning noodgedwongen had verlaten vanwege schimmel en ongedierte en dat haar huidige situatie onhoudbaar is, mede door de leerproblemen van haar zoon en de betrokkenheid van jeugdzorg bij haar dochter.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente een ruime beoordelings- en beleidsruimte heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat de hardheidsclausule slechts terughoudend getoetst kan worden. De rechtbank vond dat de gemeente zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de omstandigheden van eiseres geen aanleiding geven tot het verlenen van urgentie. Ook de belangen van de kinderen, zoals bedoeld in artikel 3 IVRK Pro, leidden niet tot een ander oordeel.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt en het griffierecht niet wordt terugbetaald.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring.