De minister van Asiel en Migratie legde op 14 april 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 24 april 2026 via telehoren.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van een terugkeerbesluit en het onvoldoende meewerken aan het vaststellen van identiteit en nationaliteit. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft vanwege een terugkeerbesluit en inreisverbod van 21 november 2025. Hoewel eiser aanvoerde dat hij niet op de hoogte was van het terugkeerbesluit en niet weigerde mee te werken aan identiteitsvaststelling, stelde de rechtbank vast dat de gronden feitelijk juist zijn en dat eiser zich actief had moeten inspannen. De rechtbank vond dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is en dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voortvarend werkt aan uitzetting, met meerdere vertrekgesprekken en een laissez-passer aanvraag. Er is zicht op uitzetting naar Algerije. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.