De minister van Asiel en Migratie legde op 16 april 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 24 april 2026 via telehoor.
De minister baseerde de bewaring op de a-grond (noodzaak tot vaststelling identiteit of nationaliteit) en de b-grond (noodzaak tot verkrijgen van gegevens voor beoordeling asielaanvraag) van artikel 59b Vw. De rechtbank oordeelde dat de maatregel terecht was opgelegd, omdat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen, niet voldoende meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit, en een significant risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. De zware grond 3i werd door de minister ter zitting laten vallen.
Eiser voerde aan dat een lichter middel passend was, omdat hij eerder op de VBL verbleef en niet op afspraken verscheen door onwetendheid of doktersbezoek. De rechtbank verwierp dit, stellende dat eiser zich niet aan de meldplicht hield en dat de minister voldoende voortvarend handelde met betrekking tot de asielprocedure.
De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.