Art. 31, zesde lid, onder b, van de VwArt. 31, zesde lid, onder c, van de VwArt. 30b, eerste lid, onder e, van de VwArtikel 6:22 van de AwbVreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag Pakistan wegens ongeloofwaardige fatwa en tegenstrijdige verklaringen
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende man, vroeg asiel aan in Nederland op grond van een fatwa die tegen hem was uitgesproken vanwege zijn bemiddeling in een conflict en zijn vermeende bekering tot de Ahmadiya-gemeenschap. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser geen schriftelijke fatwa kon overleggen en zijn verklaringen als inconsequent en tegenstrijdig werden beoordeeld.
Eiser voerde in beroep aan dat de verzwaarde bewijslast uit de WI 2024/6 niet correct werd toegepast en dat het niet altijd mogelijk is om asielmotieven met documenten te staven. Ook stelde hij dat zijn medische omstandigheden en het Medifirst-advies onvoldoende in acht waren genomen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een algehele geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn asielmotief.
De rechtbank stelde vast dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen over het moment en de inhoud van de fatwa niet zijn weggenomen, ondanks aanvullend gehoor en correcties. Ook werd geoordeeld dat het aanmeldgehoor niet bedoeld is om asielmotieven te beoordelen en dat de verwijzing naar tegenstrijdige verklaringen in die fase ten onrechte aan eiser is tegengeworpen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De afwijzing van de asielaanvraag is gebaseerd op het ontbreken van een samenhangend en aannemelijk asielrelaas en het niet overleggen van een fatwa of ander bewijsstuk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52998
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1971 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 16 januari 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij probeerde te bemiddelen in een ruzie tussen een vriend van hem die Ahmadiya is en een groep andere mensen. Eiser werd daarna beschouwd als een afvallige, dan wel als bekeerde Ahmadi. Daarom is tegen hem een fatwa uitgesproken.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dat er een fatwa tegen eiser is uitgesproken omdat hij probeerde te bemiddelen bij een ruzie acht verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft de schriftelijke fatwa niet overgelegd en heeft daarvoor geen goede reden. [1] Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Omdat de verklaringen van eiser zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [3]
3. Eiser stelt in beroep dat de nieuwe WI 2024/6 een verzwaarde bewijslast inhoudt wegens de veronderstelling dat asielmotieven volledig met bewijsstukken kunnen worden onderbouwd. Aan eiser moet het voordeel van de twijfel worden gegeven. [4] Eiser stelt dat, hoewel de bewijslast bij hem ligt, ook onderkend dient te worden dat het niet altijd mogelijk is om een asielrelaas te staven met documenten. Verweerder heeft erkend dat gelet op het tijdsverloop niet meer kan worden gevraagd om medische documenten om te bewijzen dat hij is behandeld voor zijn arm, maar dat maakt het innerlijk tegenstrijdig om de fatwa wel van hem te verlangen. Ook worden fatwa's in allerlei verschijningvormen uitgevaardigd en blijkt volgens eiser uit het Ambtsbericht van 2022 dat het gevaarlijk is wanneer een ander aandacht op een uitgebrachte fatwa vestigt. Daarom kan niet worden verwacht dat eisers familie of kennissen contact opnemen met de vervolger. Eiser meent dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop de fatwa is uitgesproken, het moment waarop hij dat te horen kreeg en de inhoud daarvan. Daarbij is geen rekening gehouden met het Medifirst advies van 2023. Hierin is vermeld dat sprake is van beperkingen die relevant zijn voor het horen en/of beslissen, te weten dat eiser heeft aangegeven dat hij moeite lijkt te hebben met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen. Ook is sprake van een tijdsverloop van meer dan tien jaar. In de correcties en aanvullingen is verder gewezen op miscommunicaties tijdens het gehoor. Over de inhoud van de fatwa heeft eiser wel degelijk eenduidig verklaard. Het worden gezien als afvallige komt op hetzelfde neer als het worden gezien als zijnde bekeerd tot de Ahmadi. Uit zijn verklaringen blijkt ook dat bekeren en het geloof verlaten voor eiser hetzelfde is. Verder stelt eiser, onder verwijzing naar 3.108d, vijfde lid, van het Vb [5] , dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdige informatie heeft verstrekt over de reden van zijn asielaanvraag. Zijn aanvraag is ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard, wat maakt dat hem ten onrechte geen vertrektermijn is gegund en ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. Hij wijst tot slot op zijn medische omstandigheden en heeft daartoe zijn GZA dossier overgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6)
4. Dat de WI 2024/6 een verzwaarde bewijslast inhoudt, volgt de rechtbank niet. Het is niet onredelijk dat verweerder eerst heeft beoordeeld of eiser objectieve documenten heeft ingediend ter staving van zijn asielaanvraag. [6] De vaststelling dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd, zoals volgt uit stap 2a van deze WI, betekent niet dat het asielmotief per definitie ook ongeloofwaardig wordt geacht. In de WI 2024/6 staat immers dat verweerder met stap 2b rekening houdt met de omstandigheid dat van de vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft. Ook uit het bestreden besluit volgen geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder het asielmotief op voorhand ongeloofwaardig vindt wegens het gebrek aan objectieve documenten. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat ze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder stelt zich voorts in het verweerschrift terecht op het standpunt dat niet valt in te zien welk nader onderzoek hij had moeten doen, omdat in stap 2b een algehele geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt. Verweerder was niet gehouden om te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moest worden gegund, aangezien dit pas aan de orde is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Ten aanzien van eisers verwijzing naar de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond geldt dat het aan eiser is om toe te lichten hoe die vragen de onderhavige zaak raken. Dit heeft eiser nagelaten.
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw
5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Eiser heeft immers onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Verweerder heeft in het bestreden besluit daartoe onder meer kunnen overwegen dat eiser zelf heeft verklaard dat hij in het bezit is geweest van een foto van de fatwa. Het verliezen van zijn telefoon in 2015 is geen verschoonbare reden. Eiser heeft ook na 2015 nog contact gehad met zijn familie in Pakistan. Niet valt in te zien waarom zij hem dan niet opnieuw hadden kunnen voorzien van (een foto van) de fatwa. Ook heeft hij verklaard dat de fatwa nog steeds bestaat. Het is daarbij aan eiser om zijn asielrelaas te onderbouwen met bewijsstukken. Nu de fatwa de kern van eisers asielrelaas vormt, mag van hem verwacht worden dat hij (een foto van) de fatwa of enig ander bewijsstuk kan overleggen. Dat fatwa's blijkens het Ambtsbericht in allerlei verschijningsvormen worden uitgevaardigd is niet zozeer relevant, nu eiser heeft uitgelegd dat in zijn geval sprake is van een schriftelijk stuk. Verder is van belang dat, hoewel in de landeninformatie wordt geschreven over wraakacties als gevolg van het wenden tot de politie naar aanleiding van een uitgevaardigde fatwa, niet wordt verwacht van eisers familie of kennissen om zich te wenden tot de vervolger of de politie. Verwacht wordt dat eiser hen vraagt om in ieder geval pogingen te doen om de fatwa te verkrijgen of eiser een foto te sturen. De fatwa is volgens eiser immers geregistreerd in de lokale moskee, in de buurt verspreid en het kan ook via madrassen verspreid worden. Ook heeft eiser verklaard dat de fatwa landelijk naar zijn persoonsgegevens te herleiden is. Eiser stelt enkel van alles geprobeerd te hebben om het document te verkrijgen, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij (een foto van) de fatwa had moeten overleggen. Eiser heeft dit echter nagelaten en heeft daarvoor geen bevredigende verklaring gegeven.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw
6. Op 20 februari 2022 is een aanmeldgehoor afgenomen met eiser. Tijdens dit gehoor heeft eiser verklaard dat hij niet terug kan naar Pakistan vanwege de financiële omstandigheden daar. Ook gaf hij aan dat hij inmiddels zo lang weg is uit zijn land van herkomst dat hij gewoon ergens een verblijfsvergunning wilde krijgen, zodat hij terug kan keren naar zijn land van herkomst om zijn familie te bezoeken. Tijdens het nader gehoor van 6 december 2023 en het aanvullend nader gehoor van 22 augustus 2024 heeft eiser echter verklaard, kort weergegeven, dat hij niet kan terugkeren naar Pakistan omdat hij zodanig stelt te vrezen wegens de fatwa die tegen hem is uitgesproken. Verweerder werpt eiser daarom tegen dat hij tegenstrijdige informatie heeft verstrekt over de reden van zijn asielaanvraag.
7. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat dit ten onrechte aan hem is tegengeworpen. Het aanmeldgehoor is namelijk niet bedoeld om asielmotieven in kaart te brengen. Dit verhoor maakt onderdeel uit van de aanmeldfase, die ervoor is om in kaart te brengen welk onderzoek nodig is om de asielaanvraag te beoordelen. Eventuele tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over het asielrelaas mogen geen gevolgen hebben voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is duidelijk neergelegd in artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vb en de bijbehorende Nota van toelichting. [7] In het bestreden besluit heeft verweerder erop gewezen dat eiser tijdens de aanmeldfase niet gevraagd is naar zijn asielmotieven, maar dat hij hierover uit zichzelf heeft verklaard. Dit maakt echter niet dat die tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over het asielrelaas wél gevolgen mogen hebben voor de beoordeling.
8. Het bestreden besluit bevat in zoverre een gebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb [8] te passeren, aangezien eiser niet in zijn belangen is geschaad. De overige tegenstrijdigheden die verweerder aan eiser heeft tegengeworpen, kunnen namelijk het oordeel dragen dat het niet geloofwaardig is dat eiser in Pakistan problemen heeft gekregen omdat tegen hem een fatwa is uitgesproken. Zo heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop de fatwa tegen hem zou zijn uitgesproken, het moment waarop hij zelf op de hoogte is geraakt daarvan en de inhoud van de fatwa.
9. Tijdens het nader gehoor en de daaropvolgende correcties en aanvullingen van 12 augustus 2024 heeft eiser aangegeven dat de fatwa is uitgesproken op het moment dat hij nog in het ziekenhuis verbleef. Tijdens het aanvullend gehoor en de daaropvolgende correcties en aanvullingen van 27 augustus 2024 heeft eiser juist verklaard dat de fatwa is uitgesproken nadat hij het ziekenhuis had verlaten. Tijdens het aanvullend gehoor is eiser ook geconfronteerd met deze tegenstrijdige verklaringen.
10. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij in het ziekenhuis was toen hij hoorde van de fatwa. [9] Vervolgens is hem gevraagd wanneer hij op de hoogte is gesteld van de fatwa, waarop eiser heeft geantwoord dat hij toen in Griekenland was, in 2012. [10] Voor zover eiser stelt dat het lang geleden is gebeurd en hij het exacte moment daarom niet meer weet, geldt dat er een wezenlijk verschil van drie jaar zit tussen het moment dat hij in het ziekenhuis was en dat hij in Griekenland was.
11. Hoewel valt in te zien dat er voor eiser wellicht geen groot verschil zit tussen het worden beschouwd als afvallige of als een bekeerling, geldt wel dat hij eerst heeft verklaard niet te weten of het zijn van Ahmadiya hem werd toegedicht in de fatwa. [11] Vervolgens heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor verklaard dat hem in de fatwa wordt toegedicht dat hij is bekeerd tot de Adhmadi. [12] Daarmee maakt eiser niet aannemelijk dat hij op de hoogte is van de inhoud van de fatwa.
12. Voor zover eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met het Medifirst-advies, geldt dat het eventueel hebben van moeite met het benoemen van data niet meteen maakt dat dan ook moeite bestaat met chronologie. Uit het rapport van het (aanvullend) nader gehoor blijkt dat voldoende rekening is gehouden met het advies van Medifirst, waar dus niet uit volgt dat eiser problemen heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in een chronologische volgorde. Zoals eerder overwogen mag van eiser verwacht worden dat hij voldoende deugdelijk kan verklaren over de kern van zijn asielrelaas, ook indien hij geen exacte data kan benoemen.
Afwijzing als kennelijk ongegrond
13. Verweerder heeft voor zijn conclusie dat eisers aanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond verwezen naar zijn overwegingen dat ongeloofwaardig wordt geacht dat tegen eiser een fatwa is uitgevaardigd en hij daarom te vrezen heeft bij terugkeer naar Pakistan. Hiermee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat sprake is van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Inreisverbod
14. Bij beschikking van 24 februari 2026 is aan eiser uitstel van vertrek verleend voor maximaal zes maanden totdat op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw is beslist. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat, nu hem inmiddels uitstel van vertrek is verleend, het inreisverbod ten onrechte nog van kracht is. Hiertoe geldt dat het verlenen van uitstel van vertrek tot gevolg heeft dat het terugkeerbesluit wordt opgeschort, maar dat het inreisverbod kan blijven gelden zolang nog geen besluit is genomen over de toepassing van artikel 64 vanPro de Vw.
Conclusie
15. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande met zich meebrengt dat verweerder voldoende dragend heeft gemotiveerd dat en waarom hij het asielrelaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vindt en daarmee ongeloofwaardig acht. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
16. In het passeren van een gebrek, zoals besproken in rechtsoverweging 8, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1868,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
1.Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
2.Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw.
4.Eiser verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen die door zittingsplaats Roermond zijn gesteld in de zaken met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2025:139 en ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 juni 2015, nr. 59166/12, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612 (J.K. e.a. t. Zweden).
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21853.
7.Staatsblad 2021/250, pagina’s 27 en 28.
8.Algemene wet bestuursrecht.
9.Pagina 6 van het rapport aanvullend gehoor van 21 augustus 2024.
10.Pagina 8 van het rapport aanvullend gehoor van 21 augustus 2024.
11.Pagina 11 en 12 van het rapport nader gehoor van 6 december 2023.
12.Pagina 12 van het rapport aanvullend gehoor van 21 augustus 2024.