Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
692500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J-A. Seinen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:174 BWArt. 6:95 BWArt. 6:96 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente aansprakelijk voor schade door onrechtmatig gevaarlijke weginrichting bij gracht in Delft

Een bestuurder van een bij Allianz verzekerde autohoogwerker reed op 28 september 2020 in een nieuwbouwwijk in Delft een gracht in, waardoor het voertuig ernstig beschadigd raakte. Allianz vergoedde de schade aan haar verzekerde en stelde de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk wegens een onrechtmatig gevaarzettende weginrichting. De gemeente betwistte aansprakelijkheid en stelde dat de weginrichting voldeed aan de eisen en dat sprake was van eigen schuld van de bestuurder.

De rechtbank stelde vast dat de weginrichting onvoldoende fysieke en visuele waarschuwingen bevatte, zoals ontbrekende stootranden, borden of markeringen, terwijl de gracht door schemering en nevel slecht zichtbaar was. De trottoirband was verlaagd en de klinkers van rijbaan en stoep waren gelijk, waardoor de bestuurder de gracht voor de weg aanzag. De gemeente had moeten voorzien in extra veiligheidsmaatregelen, zeker gezien het eerdere ongeval op dezelfde locatie in februari 2020.

De rechtbank verwierp het beroep op eigen schuld omdat de bestuurder stapvoets reed, de gracht niet kon zien en slechts een beperkte mate van onoplettendheid kan worden toegerekend. Allianz kreeg gelijk en de gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van de schade, deskundigenkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gemeente Delft is aansprakelijk voor de schade aan de autohoogwerker door onrechtmatige weginrichting en moet Allianz de schade en kosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/692500 / HA ZA 25-859
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
ALLIANZ BENELUX N.V.te Rotterdam,
eiseres,
advocaat: mr. J.H. Huitema te Rotterdam,
tegen
GEMEENTE DELFTte Delft,
gedaagde,
advocaat: mr. M.M.L. Dierikx te Delft.
Partijen worden hierna ‘Allianz’ en ‘de gemeente’ genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Een bestuurder van een bij Allianz verzekerde autohoogwerker (hierna: de bestuurder) is met de autohoogwerker een gracht in Delft ingereden, waardoor het voertuig ernstig beschadigd is geraakt. Allianz heeft de schade aan haar verzekerde vergoed. Allianz stelt dat de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk is voor de door haar geleden schade, omdat de ongevalslocatie onrechtmatig gevaarzettend was. De gemeente wijst aansprakelijkheid van de hand. Zij meent dat de weginrichting voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, en dat sprake is van eigen schuld van de bestuurder.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de weginrichting niet voldeed, omdat er ten tijde van het ongeval geen fysieke en/of visuele indicaties voor de aanwezigheid en precieze locatie van de gracht waren die ook voldoende zichtbaar waren als de gracht aan het zicht onttrokken was door schemering en mist. Daarom was de weginrichting van de straat in deze pas opgeleverde woonwijk destijds onrechtmatig gevaarzettend. Van eigen schuld van de bestuurder was geen sprake. De gemeente is daarom aansprakelijk voor de door Allianz als gevolg van het ongeval geleden schade.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende documenten:
  • de dagvaarding van 25 september 2025, met producties 1 tot en met 12;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;
  • het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
  • de akte overlegging producties van Allianz van 12 maart 2026, met producties 13 en 14;
  • de akte overlegging producties van de gemeente van 20 maart 2026, met producties 7 en 8.
2.2.
Op 23 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij was namens Allianz mr. Huitema aanwezig, en namens de gemeente de heer [naam 1] , bijgestaan door mr. Dierikx. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken.

3.De feiten

Op grond van het procesdossier en wat er tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij het nemen van de beslissing uit van het volgende.
3.1.
[Bedrijf] B.V. (hierna: [Bedrijf] ) is een onderneming gespecialiseerd in infrastructurele werkzaamheden. Ter uitvoering van deze werkzaamheden heeft [Bedrijf] eigen (wagen)park materieel, dat verzekerd is bij Allianz. [Bedrijf] verhuurt haar (wagen)park materieel ook aan derden.
3.2.
Sinds 3 februari 2020 verhuurde [Bedrijf] een Renault-Klubb autohoogwerker (hierna: de autohoogwerker) aan CityTec B.V. (hierna: CityTec). Ook CityTec is een onderneming gespecialiseerd in infrastructurele werkzaamheden.
3.3.
Op 28 september 2020 was een werknemer van CityTec (de bestuurder) met de autohoogwerker onderweg naar de Graaf Floriskade te Delft om defecte straatverlichting te repareren. Omstreeks 08:09 uur heeft er een ongeval plaatsgevonden (hierna: het ongeval), waarbij de autohoogwerker te water is geraakt in een gracht gelegen aan de Graaf Floriskade te Delft (hierna: de ongevalslocatie).
3.4.
De ongevalslocatie ligt in een nieuwbouwwijk die omstreeks 2018/2019 is opgeleverd. De locatie zag er in die periode zo uit (
afbeelding met navigatiestippen):
3.5.
Naar aanleiding van het ongeval is door de Politie Regionale Eenheid Den Haag een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: [1]
Omstandigheden
Lichtgesteldheid
: SCHEMER
Onderhoud weg
: GEMEENTE
Tijdelijke omstandigheid
: NIET VAN TOEPASSING
Weersgesteldheid
: DROOG
Wegdek
: NAT/VOCHTIG
Wegsituatie
: RECHTE WEG
Wegverharding
: KLINKERS
Wegverlichting
: WEL BRANDEND
(…)
Toedracht
1: [kenteken] , Bestuurder [naam 2]
1 reed over Hertog Albrechtstraat te Delft in de richting van de Ada van Hollandstraat te Delft.
Bij de inham Graaf Floriskade is de stoep verlaagd en is de bestuurder hierin gereden en is de bestuurder regelrecht de gracht in gereden.
Bestuurder gaf aan de gracht aan te zien voor de weg door de verlaagde stoep bij de Graaf Floriskade. Ongeval is in de ochtend gebeurd toen het nog donker was. Hierdoor zou de bestuurder volgens zijn zeggen het niet goed overzien hebben.
Ademtest was afgenomen en was negatief.”
3.6.
De bestuurder is er met een flinke schrik vanaf gekomen, maar de autohoogwerker is door het ongeval ernstig beschadigd geraakt. De opbouw kon nog worden hergebruikt, maar voor het overige is de autohoogwerker
total lossverklaard.
3.7.
Allianz heeft [expertisebureau] B.V. (hierna: het expertisebureau) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de schadeomvang en de toedracht van het ongeval. Op 15 december 2020 heeft het expertisebureau een expertiserapport uitgebracht. Hierin heeft het expertisebureau de schade aan de autohoogwerker vastgesteld op een bedrag van € 46.860,- exclusief btw. Verder heeft het expertisebureau het volgende in haar expertiserapport geconcludeerd: [2]
“De oorzaak van de schade moet worden geweten aan het te water raken tijdens het rijden. Aan ons werd verklaard, dat door onvoldoende verlichting en onduidelijke markering niet duidelijk was, dat zich in de straat een gracht bevond.”
3.8.
Op 8 januari 2021 heeft Allianz de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade en gemaakte kosten. De gemeente heeft de aansprakelijkheid, via haar verzekeraar Centraal Beheer, op 6 mei 2021 afgewezen. Hierna hebben partijen nog gecorrespondeerd, maar dit heeft niet tot een minnelijke regeling geleid.
3.9.
In oktober 2021 heeft de gemeente op verzoek van buurtbewoners zitelementen geplaatst aan het uiteinde van de gracht, dus op de ongevalslocatie.
3.10.
Op 25 januari 2023 heeft de bestuurder als volgt verklaard: [3]
“Op 28 september 2020 was ik aan het werk en onderweg naar een storing. Omstreeks 7:30 uur reed ik in een Renault-Klubb autohoogwerker (…) op de Ada van Hollandstraat te Delft. Deze straat ligt in een nieuwbouwwijk en woonerf. Ik reed voor het eerst in deze woonwijk. Er was geen tegemoetkomend verkeer. Het was aan het schemeren. Ook miezerde het en hing er nevel. Mede daarom reed ik stapvoets.
Ik wilde afslaan naar de Graaf Floriskade. Tijdens het insturen kantelde de autohoogwerker plotseling schuin naar voren. De autohoogwerker zakte naar beneden en kwam tot stilstand op een harde ondergrond.
Er bleek een gracht te zijn. Ik ben met de autohoogwerker in deze gracht gekanteld. Ik wist niet dat er een gracht was en heb de gracht ook niet gezien. Hel leek gewoon op een weg en ik heb ook geen rand gezien. Er was geen verhoging, geen kleurverschil en er was ook geen stootrand of ander wegmeubilair. Ook heb ik geen waarschuwingsbord gezien, ook niet aan het begin van het woonerf.
Al snel kwamen er buurtbewoners toegesneld om mij te helpen. Zij vertelden mij dat er al eerder een vergelijkbaar ongeval was gebeurd, maar dat de situatie daarna niet is aangepast. Zij vertelden mij dat zij daarom niet verbaasd waren dat er weer een ongeval was gebeurd.
Ik ben heel erg geschrokken van het ongeval en slaap nog steeds slecht als ik eraan terugdenk.
Ik ben bereid hetgeen ik hierboven verklaar onder ede te bevestigen.”
3.11.
Op 3 februari 2020 is op de ongevalslocatie een bestelbusje de gracht ingereden.

4.Het geschil

4.1.
Allianz vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat de gemeente aansprakelijk is jegens Allianz voor het ongeval van 28 september 2021 [4] en aldus gehouden is de daardoor ontstane schade en gemaakte kosten te vergoeden;
  • de gemeente te veroordelen om aan Allianz te voldoen een bedrag van € 45.610,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2020, dan wel de datum van aansprakelijkstelling, dan wel de datum van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening van dit bedrag;
  • de gemeente te veroordelen om aan Allianz te voldoen een bedrag van € 1.206,51 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2020, dan wel de datum van aansprakelijkstelling, dan wel de datum van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening van dit bedrag;
  • de gemeente te veroordelen om aan Allianz te voldoen een bedrag van € 1.243,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening van dit bedrag;
  • de gemeente te veroordelen in de proces- en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, en – voor het geval dat voldoening van de proces- en nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening.
4.2.
Allianz legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de ongevalslocatie, waarvoor de gemeente als wegbeheerder verantwoordelijk is, als onrechtmatig gevaarzettend aangemerkt dient te worden. Gelet op onder meer het ontwerp en de inrichting van de ongevalslocatie heeft de gemeente aldaar een onrechtmatig gevaarzettende situatie in het leven geroepen en (tot op heden) laten voortbestaan, welk gevaar zich vervolgens ook daadwerkelijk (meermaals) heeft verwezenlijkt, met alle (financiële) gevolgen van dien. Enkele maanden voor het ongeval heeft op de ongevalslocatie een vergelijkbaar ongeval plaatsgevonden. Ook naar aanleiding daarvan heeft de gemeente geen veiligheidsmaatregelen getroffen en de gevaarlijke situatie laten voortbestaan, waarna het gevaar zich enkele maanden later aldus opnieuw heeft verwezenlijkt. Daarom meent Allianz dat de gemeente op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (“BW”) gehouden is de door het ongeval ontstane schade en kosten te vergoeden.
4.3.
De gemeente voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Allianz in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Allianz in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover wanneer Allianz deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis volledig zal hebben voldaan. De gemeente meent dat zij niet aansprakelijk is voor de schade die Allianz heeft geleden. De weginrichting van de ongevalslocatie voldeed volgens de gemeente aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen; een eerder ongeval is haar niet bekend. Volgens de gemeente is de bestuurder onvoldoende oplettend geweest: niet alleen was de weginrichting voldoende duidelijk, het is een feit van algemene bekendheid dat er in Delft grachten zijn – het woord ‘kade’ zat zelfs in de straatnaam.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Toetsingskader
5.1.
Bij de beoordeling van de door Allianz gestelde aansprakelijkheid van de gemeente als wegbeheerder voor de gevolgen van het ongeval is het volgende van belang.
5.2.
Een wegbeheerder is op grond van artikel 6:174 BW Pro aansprakelijk voor schade wanneer de weg een gebrek kent en het gevaar dat daardoor ontstaat zich ook verwezenlijkt. Er is sprake van een gebrek als de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Daarnaast kan de wegbeheerder aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW Pro. Hierbij moet het gaan om een schending van de zorgplicht van de wegbeheerder, in die zin dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken dermate in gevaar heeft gebracht dat dit als gevaarzettend moet worden aangemerkt. Bij beide typen aansprakelijkheid draait het om de eisen die vanuit een oogpunt van veiligheid aan de weg moeten worden gesteld, en gelden de volgende uitgangspunten:
a. geschreven (veiligheids)normen zijn relevant, maar niet beslissend; het feit dat de wegbeheerder zich aan de voorschriften heeft gehouden, staat dus niet altijd aan aansprakelijkheid in de weg;
ook ongeschreven gedragsnormen zijn van belang; dit betreft een weging van de hierna te bespreken ‘Kelderluikfactoren’;
niet iedere kans op schade verplicht de wegbeheerder tot het treffen van maatregelen. [5]
5.3.
Als de wegbeheerder wist van een gevaar of als hij dit had behoren te kennen, zijn voor de beoordeling van zijn aansprakelijkheid de zogenoemde Kelderluik-criteria van belang: [6] (i) in hoeverre is het waarschijnlijk dat een weggebruiker niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zal hemen, (ii) hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, (iii) hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn, en (iv) in hoeverre is het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk voor de wegbeheerder. Dit alles moet de rechter invullen aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de beleidsvrijheid die de gemeente als wegbeheerder heeft en de financiële middelen die haar ter beschikking staan.
5.4.
Tegenover de zorgplicht van de gemeente als wegbeheerder staat de verplichting van de weggebruiker om – kort gezegd – voorzichtig te zijn (“de in zijn algemeenheid te vergen voorzichtigheid in acht te nemen”).
Toetsing aan de Kelderluik-criteria
5.5.
Partijen zijn het niet eens over het precieze tijdstip van het ongeval, hoe licht het toen was en of de straatverlichting op de ongevalslocatie op dat moment werkte.
De rechtbank gaat uit van het proces-verbaal van de politie, waarin staat dat het ongeval omstreeks 08:09 uur heeft plaatsgevonden, dat het toen schemerde en dat de straatverlichting toen werkte.
5.6.
De gemeente heeft niet betwist dat het ten tijde van het ongeval nevelde; de rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit zo was.
5.7.
Partijen zijn het er ook niet over eens of de gemeente wist dat de situatie op de ongevalslocatie onrechtmatig gevaarzettend was.
Allianz stelt dat de gemeente dat wist, omdat straatmeubilair, stootranden en wegafscheidingen op de ongevalslocatie ontbraken, terwijl verderop rondom de gracht wel veiligheidsmaatregelen zijn genomen om de aanwezigheid van de gracht te markeren. Bovendien had op 3 februari 2020 al een vergelijkbaar ongeval plaatsgevonden op de ongevalslocatie. De gemeente voert aan dat de weginrichting op de ongevalslocatie voldeed aan de CROW-richtlijnen. Dat verderop wel veiligheidsmaatregelen waren genomen, hield verband met de omstandigheid dat daar parkeervakken zijn. De gemeente stelt ten tijde van het ongeval niet bekend te zijn geweest met het eerdere ongeval, omdat dit destijds niet is gemeld via de calamiteitendienst.
5.8.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente is niet komen vast te staan dat zij ten tijde van het ongeval wist dat enkele maanden eerder op dezelfde plek een bestelbusje de gracht was ingereden. Er kan dus niet worden gezegd dat de gemeente moedwillig een haar bekende gevaarlijke situatie heeft laten voortbestaan.
5.9.
De rechtbank is wel van oordeel dat de gemeente had behoren te weten dat de weginrichting ter plaatse van het ongeval gevaarzettend was. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
5.9.1.
Ten tijde van het ongeval schemerde het, nevelde het en was het wegdek nat. De vraag is of de weginrichting ook onder deze – in Nederland niet ongebruikelijke – omstandigheden voldoende aanwijzingen bevatte om de bestuurder te doen beseffen dat hij zich in de directe nabijheid van een gracht bevond.
5.9.2.
Op de door partijen ingediende foto’s is te zien dat de trottoirband tussen de rijbaan en de kade is verlaagd tot voorbij het punt waar de gracht begon, zodat ook langs de gracht een verlaagd gedeelte aanwezig is waarover vanaf de rijbaan kan worden ingereden. De hoogte van de trottoirband neemt vervolgens gradueel toe tot een hoogte van ongeveer 5 centimeter; het is daarom maar de vraag of de bestuurder het zou merken als hij met één band over de verhoging is gereden (zoals de gemeente denkt dat hij heeft gedaan).
5.9.3.
Ook is op de foto’s te zien dat de rijbaan en de stoep ter plaatse uit dezelfde soort klinkers bestaan. Het enkele feit dat de klinkers in de stoep in een ander verband zijn gelegd dan in de rijbaan acht de rechtbank een onvoldoende duidelijke waarschuwing in de (weers)omstandigheden zoals die zich tijdens het ongeval voordeden: schemer, nevel en met een wegdek dat door regen nat was. Nevel vormt zich makkelijker boven wateroppervlakten en kan het zicht daarop beperken. Als steen nat wordt, wordt het donkerder van kleur waardoor kleurverschillen kunnen afnemen. Op een nat wegdek kunnen details als legpatronen slechter zichtbaar zijn, zeker in de schemering.
5.9.4.
Daar komt bij dat op de kop van de gracht geen straatmeubilair of aanvullende signalering aanwezig was, zoals bijvoorbeeld een bord, reling, stootrand, kleurige band of zitbankje. Wanneer de gracht zelf door nevel en schemering slecht zichtbaar was, was het daardoor mogelijk om vanuit de rijbaan af te slaan en via de verlaagde trottoirband de gracht in te rijden, zonder dat de weginrichting duidelijke fysieke en/of visuele aanwijzingen bevatte dat dit niet de bedoeling was. De bestuurder heeft verklaard dat hij ter plaatse niet bekend was en dat hij de gracht door de verlaagde trottoirband voor de weg heeft aangezien. De rechtbank acht deze verklaring gelet op het voorgaande niet onaannemelijk, ook omdat de gracht in een nieuwbouwwijk ligt die destijds net was opgeleverd. De situatie ter plaatse was voor veel weggebruikers nog onbekend – ook voor een werknemer van een bedrijf dat de verlichting in de regio Delft repareert (die verlichting was immers net opgeleverd).
Door de wijze waarop het voertuig precies in de hoek van de gracht met de neus naar beneden is geklapt, acht de rechtbank het aannemelijk dat de bestuurder de gracht stapvoets is ingereden, en dat hij de gracht echt niet heeft gezien. Dat hij in een autohoogwerker reed en daardoor een verhoogde zitpositie had, maakt dat niet anders.
5.9.5.
Daarbij komt nog dat een wegbeheerder bij de inrichting van de openbare weg mede in aanmerking moet nemen dat niet alle weggebruikers steeds de nodige oplettendheid en voorzichtigheid zullen betrachten. Zeker als het niet opmerken van het gevaar tot ernstige schade kan leiden. In de situatie zoals die ten tijde van het ongeval was, kon een bestuurder door een moment van onoplettendheid grote schade lijden.
5.10.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gemeente extra maatregelen had moeten nemen om weggebruikers op de aanwezigheid van de gracht te wijzen. Zij had bijvoorbeeld een waarschuwingsbord, straatmeubilair of markeringen kunnen plaatsen, of zij had de trottoirband het einde van de rijbaan duidelijker kunnen laten markeren. Dergelijke veiligheidsmaatregelen waren – in verhouding tot het gevaar dat moest worden afgewend – relatief eenvoudig te nemen, niet al te kostbaar en hadden de kans op verwezenlijking van gevaar in aanzienlijke mate verkleind. Nu de gemeente dit destijds niet heeft gedaan, heeft zij toerekenbaar onrechtmatig gehandeld zodat zij aansprakelijk is voor de schade die Allianz als gevolg van het ongeval heeft geleden.
Het beroep op eigen schuld
5.11.
De gemeente beroept zich op eigen schuld aan de zijde van de bestuurder en voert daartoe aan dat hij, blijkens een verklaring van een politieagent, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Volgens de gemeente kan de bestuurder alleen bij sterk afwijkend rijgedrag te water zijn geraakt. Ter plaatse was immers voldoende verlichting aanwezig en de trottoirband ter plaatse was verlaagd, zodat voor de bestuurder kenbaar was, althans had moeten zijn, waar de rijbaan liep. In dat verband stelt de gemeente dat de bestuurder de bocht te ruim heeft genomen. Verder stelt de gemeente dat de bestuurder met (ten minste) één wiel over de verhoogde trottoirband is gereden. Dit moet hij hebben opgemerkt en had hem moeten waarschuwen dat hij zich niet (geheel) op de juiste rijbaan bevond. Daar komt bij dat het verboden is op de stoep te rijden. Als professionele weggebruiker diende hij extra oplettendheid en voorzichtigheid in acht te nemen, zeker in geval van algemene gevaren zoals gladheid en donker, of wanneer hij niet bekend is ter plaatse.
5.12.
Allianz betwist dat de bestuurder onoplettend en onachtzaam heeft gereden. De bestuurder reed stapvoets, mede vanwege de slechte (weers)omstandigheden. De bestuurder heeft de gracht, door de verlaagde trottoirband, voor de weg aangezien. Zowel in zijn eigen verklaring als in het proces-verbaal van de politie staat dat de bestuurder over de verlaagde trottoirband is gereden, en dus niet over de verhoogde trottoirband.
5.13.
Allianz heeft ter zitting aangevoerd dat als de bestuurder al iets kan worden verweten daar 6 à 7 dingen tegenover staan die de gemeente kan worden verweten. Daarom concludeert Allianz subsidiair tot hoogstens 15% eigen schuld van de bestuurder.
5.14.
De rechtbank overweegt dat geen betekenis toekomt aan het als productie 4 bij conclusie van antwoord overgelegde whatsapp-bericht van de ‘Senior Verkeersadvisering’. Het is onduidelijk of de auteur ter plaatse is geweest en hoe hij aan zijn kennis gekomen; de bewoordingen van het bericht suggereren dat hij alleen de registratie heeft gelezen.
Verder leidt de rechtbank uit de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde foto’s van de ongevalssituatie af dat de autohoogwerker via de hoek van de gracht te water is geraakt en dat de bestuurder dus schuin vanuit de rijbaan, via de verlaagde trottoirband, de gracht is ingereden. In dat geval heeft de weginrichting hem geen fysieke waarschuwing gegeven. Het argument van de gemeente dat de bestuurder niet op de stoep mocht rijden gaat niet op, want de bestuurder was een monteur die daar moest zijn om de straatverlichting te maken.
Voor zover de bestuurder al een verwijt kan worden gemaakt, betreft dit hooguit dat hij niet (verder) heeft gekeken of en waar de verlaagde trottoirband weer overging in een verhoogde trottoirband. De rechtbank acht dit een zeer beperkte mate van onoplettendheid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de (weers)omstandigheden het zicht van de bestuurder beperkten en dat ter plaatse geen enkele vorm van waarschuwing aanwezig was, zoals borden, markeringen, afscheidingen of andere of fysieke indicatoren, die de bestuurder hadden kunnen attenderen op de
directenabijheid van een gracht.
5.15.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de eventuele onoplettendheid van de bestuurder van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW Pro. Het beroep van de gemeente op eigen schuld wordt daarom verworpen.
Deskundigenkosten
5.16.
Allianz maakt aanspraak op vergoeding van de deskundigenkosten van € 1.206,51 exclusief btw. Het gaat hierbij om kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro). Deze post is niet door de gemeente betwist. De rechtbank oordeelt dat het redelijk was om de deskundige in te schakelen en dat de kosten daarvan redelijk zijn, zodat deze vordering op grond van artikel 6:95 juncto Pro 6:96 lid 2 BW toewijsbaar is.
Wettelijke rente
5.17.
De over de hoofdsom en over de deskundigenkosten gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zal worden toegewezen vanaf 6 februari 2021, omdat de gemeente deze kosten niet binnen vier weken na de ingebrekestelling van 8 januari 2021 heeft betaald en dus op 6 februari 2021 in verzuim is geraakt.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.18.
Verder vordert Allianz een bedrag van € 1.243,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Op basis van het Besluit komt Allianz in aanmerking voor een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.231,10. Allianz heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de door haar gemaakte reële kosten dit bedrag overstijgen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gevorderde bedrag van € 1.243,60 aan buitengerechtelijke kosten ambtshalve te matigen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 1.231,10.
Proceskosten
5.19.
De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Allianz worden begroot op:
- dagvaarding € 122,35
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × tarief IV à € 1.290,00)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 5.886,35‬‬.
5.20.
De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verklaart voor recht dat de gemeente aansprakelijk is jegens Allianz voor het ongeval van 28 september 2020 en bepaalt dat de gemeente aldus gehouden is tot vergoeding aan Allianz van de daardoor ontstane schade en gemaakte kosten;
6.2.
veroordeelt de gemeente om aan Allianz te voldoen een bedrag van € 45.610,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2021 tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt de gemeente om aan Allianz te voldoen een bedrag van € 1.206,51 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2021 tot de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt de gemeente om aan Allianz te voldoen een bedrag van € 1.231,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.5.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van Allianz begroot op € 5.886,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de gemeente € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
3416

Voetnoten

1.Productie 2 bij conclusie van antwoord.
2.Productie 6 bij dagvaarding.
3.Productie 7 bij dagvaarding.
4.Uit de processtukken volgt dat het ongeval heeft plaatsgevonden op 28 september 2020. De rechtbank beschouwt de vermelding van 2021 als een kennelijke schrijffout en leest het petitum met verbetering van deze fout.
5.HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283; zie ook de conclusie van A-G Hartlief voor dit arrest, ECLI:NL:PHR:2016:555.
6.HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079.