Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL24.32150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 29 VwArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering betrokkenheid Gülenbeweging

Eiser, een Turkse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die op 24 september 2024 werd afgewezen door verweerder. De rechtbank behandelde het beroep op 20 februari 2026 en beoordeelde of de afwijzing op goede gronden was gebaseerd.

Verweerder achtte de identiteit en werkzaamheden van eiser geloofwaardig, maar verwierp de geloofwaardigheid van de toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Verweerder vond dat eiser onvoldoende inspanningen had geleverd om zijn aanvraag te staven en dat zijn vrees gebaseerd was op vermoedens. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder conform de werkinstructie WI 2024/6 heeft gehandeld en dat alle verklaringen in samenhang zijn beoordeeld.

De rechtbank stelde vast dat eiser daadwerkelijk betrokken was bij de Gülenbeweging, onder meer door zijn schoolgang, deelname aan sohbets en contacten via een vast telefoonnummer uit Ankara. Ook na zijn ontslag in 2018 bleef hij in een adviserende functie werkzaam en deelde hij gevoelige informatie met de media. Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom deze betrokkenheid niet geloofwaardig zou zijn.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent de betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.32150
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren [geboortedag] 1989, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Radema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.
1.1.
Bij besluit van 24 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Arpat als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eiser zijn asielaanvraag heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser stelt niet terug te kunnen kijken naar Turkije. Eiser heeft op een Gülen-school gezeten. Hierna is hij naar de politieschool gegaan en heeft hij voor de politie gewerkt. Eiser kon geen promotie maken. Eiser vermoed dat dit komt vanwege het feit dat hij op een Gülen-school heeft gezeten. Eiser vreest problemen te krijgen bij terugkeer naar Turkije omdat hem betrokkenheid bij de Gülen-beweging wordt toegedicht en omdat hij informatie heeft doorgegeven aan journalisten over banden tussen politici en drugshandel.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging;
3. Werkzaamheden voor de politie.
4.1.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn werkzaamheden bij de politie geloofwaardig. De problemen door toegedichte betrokkenheid bij de Gülen-beweging worden door verweerder niet geloofwaardig geacht.
4.2.
Verweerder beoordeelt de problemen door toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging als volgt. Verweerder stelt allereerst dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. [1] Eiser heeft namelijk geen inspanning geleverd om erachter te komen wat de status is van een mogelijk onderzoek tegen hem in verband met betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Verder stelt verweerder dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [2] Aangezien de vrees van eiser enkel gebaseerd is op vermoedens, is het niet aannemelijk dat aan hem betrokkenheid bij de Gülenbeweging wordt toegedicht. Naast het feit dat hij geen promotie kon maken bij de politie heeft eiser verder geen enkel ander probleem ondervonden door betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft en is het feit dat hij uit Turkije komt op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. [3] Tot slot is het feit dat eiser uit Turkije komt op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. [4]
Nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het asielverhaal heeft beoordeeld aan de hand van WI 2024/6 [5] waarbij alle relevante elementen die door een asielzoeker zijn aangevoerd niet in onderlinge samenhang zijn gewogen.
5.1.
De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van 6 maart 2025 [6] van rechtbank Den Haag, van oordeel dat met WI 2024/6 geen sprake is van een hogere bewijsmaatstaf waarbij alleen aan die maatstaf wordt voldaan als er originele en objectieve documenten zijn overgelegd die het asielmotief aannemelijk maken. Verweerder heeft in die zaak toegelicht dat ook als de vreemdeling geen objectieve documenten kan overleggen, verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang beoordeeld. Net als voorheen laat verweerder dus geen stukken of verklaringen buiten beschouwing. Ook in deze zaak is niet gebleken van strijd met het Unierecht, nu verweerder in zijn beoordeling niet is gestopt bij het ontbreken van objectieve documenten, maar alle verklaringen van eiser heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder conform WI 2024/6 heeft kunnen beslissen. De beroepsgrond slaagt niet.
Toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging
6. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht dat hem betrokkenheid bij de Gülenbeweging wordt toegedicht.
6.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst staat niet ter discussie dat eiser naar een Gülenschool is geweest, aan sohbets heeft deelgenomen, cassettes heeft beluisterd en op de politieschool werd benaderd vanuit een telefooncel door de Gülenbeweging. Daar komt bij dat uit het ambtsbericht uit 2025 over Turkije is gebleken dat politieagenten in de verhoogde aandacht staan bij de Turkse autoriteiten. Ook volgt hieruit dat bij politieagenten sneller toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging wordt aangenomen. De stelling van verweerder dat eiser niet langer in de verhoogde aandacht staat omdat hij in 2018 ontslag heeft genomen kan de rechtbank niet volgen. Na zijn ontslag is eiser immers altijd werkzaam gebleven in een adviseringsfunctie voor de politie en heeft hij gevoelige informatie over parlementsleden gedeeld met de media. De rechtbank acht het ontslag van eiser in 2018 dan ook onvoldoende om er zonder meer van uit te gaan dat hij niet langer onder verhoogde negatieve aandacht staat bij de Turkse autoriteiten. Verder volgt de rechtbank verweerder niet in het standpunt dat eiser door de telefoongesprekken niet in verband zou kunnen worden gebracht met de Gülenbeweging. Eiser heeft immers verklaard dat hij altijd werd gebeld door een vast nummer uit Ankara. Uit de verhalen van anderen heeft eiser vernomen dat de autoriteiten door middel van de belgeschiedenis van dit vaste nummer mensen in verband brengen met de Gülenbeweging. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom het niet aannemelijk is dat dit eiser niet kan overkomen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij geen promotie heeft gekregen omdat bekend was dat hij op een Gülenschool heeft gezeten. De managers waar voor eiser werkte waren erg tevreden over hem en hebben een verzoek voor een extra politiester ingediend [7] . Eiser heeft een kennis geraadpleegd van de instantie die de promoties bij de politie regelde. Die vertelde dat in het systeem aangegeven staat dat hij op een Gülenschool heeft gezeten en daarom niet in aanmerking komt voor promotie. De rechtbank kan verweerder dan ook niet volgen in het standpunt dat het niet verkrijgen van de promotie niet in verband staat met zijn betrokkenheid met de Gülenschool.
6.2.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toegedichte betrokkenheid van eiser bij de Gülenbeweging niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel [8] en het motiveringsbeginsel [9] . Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. [10] De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 september 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr.
L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5.Werkinstructie geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
7.Zie p. 14 nader gehoor.
8.Conform artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.Conform artikel 7:12 van Pro de Awb.
10.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.