ECLI:NL:RBDHA:2026:10252
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Frankrijk
Eiser heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend, maar de minister heeft deze aanvraag op 16 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 26 november 2015 internationale bescherming geniet in Frankrijk. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, maar verscheen niet op de zitting. De rechtbank oordeelt dat eiser nog procesbelang heeft omdat er een actueel adres bekend is bij de autoriteiten.
Eiser voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte wordt toegepast, omdat hij in Frankrijk dakloos was, geen toegang had tot sociale voorzieningen en geen effectieve hulp ontving. Hij stelt dat Franse statushouders structureel risico lopen op materiële deprivatie en discriminatie, en dat hij geen effectieve klachtenmogelijkheden heeft vanwege taalbarrière en gebrek aan middelen.
De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat alleen bij aannemelijk gemaakte structurele tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem een uitzondering geldt. De rechtbank vindt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een dergelijk systeemfalen. De minister mocht daarom aannemen dat Frankrijk zijn zorgplicht nakomt en dat eiser zijn rechten daar kan effectueren.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier D.G. van den Berg op 30 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.