Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10265

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL26.14872
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen vier weken beslissing nemen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Eisers hebben een opvolgend beroep ingediend omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe en behandelt de zaak zonder zitting.

De rechtbank constateert dat de minister ondanks een eerdere opdracht om binnen acht weken een beslissing te nemen, dit niet heeft gedaan. Mogelijk is het dossier nog niet compleet, maar gezien het tijdsverloop en eerdere beslistermijnen legt de rechtbank een nieuwe termijn van vier weken op waarbinnen de minister moet besluiten.

Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd om de minister te stimuleren tijdig te beslissen. De proceskostenvergoeding aan eisers wordt vastgesteld op € 233,50, rekening houdend met de beperkte werkzaamheden bij een opvolgend beroep.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14872

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

[naam],

[naam],

[naam],

[naam],V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.2.
Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
1.3.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen, tenzij de minister binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken een beslissing op de aanvraag nemen. De minister heeft dit niet gedaan.
2. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
3. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
4. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [2] De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- daarvoor voldoende. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.
5. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank
stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. [3] Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. [4]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
3.Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665.
4.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.