Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10280

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
AWB 26/1042 en NL26.2990
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen besluiten COA wegens ontbreken beroepsgronden

De rechtbank Den Haag heeft op 1 mei 2026 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Eiser had beroep ingesteld tegen besluiten van het COA van 15 januari 2026. De rechtbank beoordeelde of de beroepen ontvankelijk waren.

Volgens artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank zonder zitting uitspraak doen als de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank stelde vast dat eiser in het beroepschrift geen gronden had vermeld waarop het beroep was gebaseerd. Dit is een vereiste volgens artikel 6:6 Awb Pro.

De rechtbank had eiser op 24 maart 2026 en 30 januari 2026 verzocht om binnen een week de ontbrekende gronden te herstellen, maar eiser heeft hieraan geen gehoor gegeven. Er was geen verontschuldiging voor het verzuim. Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en bleef de bestreden besluiten van het COA in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten van het COA zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet tijdig herstellen daarvan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/1042 en NL 26.2990

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van eiser tegen de bestreden besluiten van het COa van 15 januari 2026.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat eiser de gronden van de beroepen niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [1] Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Heeft eiser de gronden tijdig vermeld?
4. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 24 maart 2026 en 30 januari 2026 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Eiser heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Eiser heeft de beroepsgronden dus niet tijdig vermeld.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
5. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van C. van der Bijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.